Men mag het salaris van een werknemer niet laten overnachten

Geschreven door Dayan mr. Drs. R. Evers

Het getuigt van fatsoen om werknemers op tijd te betalen. Dit is een zaak van wederkerigheid. De arbeider heeft werk geleverd dus moet de werkgever betalen. Toch vindt de Tora het nodig om op twee plaatsen hiervoor te waarschuwen: “Gij zult uw naaste het zijne niet onthouden en niet bestelen, gij zult de betaling van de dagloner niet tot de ochtend laten liggen” (Wajikra 19:13). In het vijfde Boek van de Tora wordt dit herhaald: “Gij zult niets tekort doen aan de arme en behoeftige dagloner onder uw broers of onder uw vreemdelingen, die in uw land zijn, binnen uw poorten. Op zijn dag zult gij hem zijn loon geven en daarover zal de zon niet ondergaan; want arm is hij en daarop richt hij zijn verlangen; opdat hij niet wegens u G’d zal aanroepen en bij u een zonde zou zijn” (Dewariem 24:14-15).

Alles bij elkaar opgeteld geeft de Tora in dit verband dus in totaal één gebod – op zijn dag zult gij hem zijn loon geven – en twee verboden – gij zult niet tot de ochtend laten liggen en de zon mag daarover niet ondergaan. Het moge duidelijk zijn dat de twee verboden elkaar aanvullen, want uit beide tezamen begrijpen wij, dat de tijd van betaling van een dagloner en een nachtarbeider gelijksporen qua lengte (Maimonides Hilchot Sechieroet 11:1).

Verhouding beide verboden
De Talmoed gaat dieper in op de verhouding tussen de beide verboden. In B.T. Bawa Metsia (110b) zeggen onze Wijzen, dat het verbod “Gij zult niet laten overnachten” spreekt over een arbeider die overdag gewerkt heeft. De tijd van betaling bestrijkt de hele nacht. Heeft men het voor de ochtendgloren niet aan de arbeider betaald, dan overtreedt men het verbod “Gij zult het salaris niet laten overnachten” met het aanbreken van de morgen. Het verbod “De zon mag er niet over ondergaan” spreekt van de arbeider die ’s nachts gewerkt heeft. Aan hem kan men de hele dag nog betalen en men overtreedt het verbod van te laat betalen pas bij zonsondergang. Interessant is dat de Misjna (ibid.) de verboden uitbreidt tot de huur van dieren en de huur van voorwerpen (zoals auto’s tegenwoordig). Voorgaande gaat uit van een werkgever die bereid is om te betalen. Wil men echter helemaal geen salaris uitkeren, dan overtreedt men vijf verboden uit de Tora.

Tijdig betalen is dus belangrijk. De Chagamiem verklaren op de pasoek: “Daarop richt hij zijn verlangen” – hetgeen in het Hebreeuws letterlijk is “naar zijn salaris tilt hij zijn ziel op”, dat iedereen die salaris achterhoudt als het ware zijn ‘ziel’ wegneemt (B.T. Bawa Metsia 112a). De vraag is alleen wiens ziel hier wordt weggenomen.

Wiens ziel?
Rabbi Matis Blum citeert hierover een meningsverschil tussen Rav Hoena en Rav Chisda. De één is van mening dat men door weigering te betalen zijn eigen leven op het spel zet, terwijl de ander stelt dat hier de ziel van de bedrogen werknemer bedoeld wordt. Volgens Rasji (1040-1105) wordt de werkgever gestraft omdat zijn daad gelijk wordt gesteld met een aanslag op het leven van de werknemer. De zegsman, die stelt dat de ziel van de werkgever is weggenomen, getuigt van diep psychologisch inzicht. Het is namelijk alsof deze geen ziel meer heeft. Hij is harteloos en gevoelloos geworden.
Beide geleerden benadrukken de ongevoeligheid in het intermenselijk verkeer. De oorzaak van alle intermenselijke problematiek ligt in ons egoïsme en egocentrisme en onze weigering voor elkaar als goed huisvader te zorgen. Het ‘overnachtingsverbod’ is eerder een morele dan een economische Tora-maatregel.

Twijfel op moreel gebied
Deze opvatting heeft belangrijke consequenties, ook in de rechtspraak. Normaal stellen wij, dat wanneer wij twijfelen omtrent een verplichting tot uitbetaling, er niet betaald hoeft te worden. De eiser bewijst! Dit betekent dat degene die claimt nog geld te krijgen van een ander, dit maar moet bewijzen. Zolang hij dat niet kan, behoeft er niet te worden betaald. Dit geldt alleen op financieel terrein. Wanneer er twijfel bestaat op religieus of moreel gebied, moet men uit twijfel de verplichting toch nakomen. Zo zeggen de Rif, de Rosj en de Ketsot (339:1) dat bij twijfel omtrent het overtreden van het verbod: “Gij zult niet laten overnachten” een safeek isoer lechoemra geldt, waarbij men betaalt, ook in geval van twijfel.
In de Tora wordt alleen gesproken over dagloners of nachtarbeiders. Hoe zit het met mensen die overdag maar een paar uur werken? Overtreedt men dan ook het verbod “Gij zult niet laten overnachten” met de ochtendgloren van de volgende ochtend? Volgens Rav Jehoeda geldt dat, wanneer men alleen ’s ochtends heeft gewerkt, men de rest van de dag de tijd heeft om het salaris op te eisen zodat de werkgever reeds bij zonsondergang het verbod “Gij zult de zon niet laten ondergaan” overtreden heeft.

Huur voor langere perioden
De Talmoedgeleerde Rav heeft een meningsverschil met Sjemoe’eel over de positie van iemand die voor langere tijd ingehuurd is. Volgens Rav overtreedt men het verbod bij zonsondergang wanneer de week, de maand of het huurjaar ergens overdag geëindigd is. Wanneer het werk ’s nachts beëindigd is, overtreedt men het overnachtingverbod met de ochtendkrieken. Volgens Sjemoe’eel overtreedt men verbod van “Gij zult de zon niet laten ondergaan” pas de volgende dag met zonsondergang. In de praktijk wordt de mening van Rav aanvaardt. Rabbi Mosje Isserles (339:3) is van mening dat de arbeiders in zijn tijd slechts dagloners waren, die niet tot de nacht doorwerkten. De werkgever wist op het moment dat hij ze in dienst nam, dat ze nog voor nacht zouden stoppen met werken. Daarom worden zij gekarakteriseerd als mensen, die een aantal uur per dag hebben gewerkt. Zodra de zon ondergaat en de werkgever niet betaald heeft, overtreedt hij het gebod “Op zijn dag zult gij hem zijn loon geven”. Tevens overtreedt men het verbod dat de zon er niet over onder mag gaan.

Ook kleine werkjes en kinderen
De Chafeets Chaïm schrijft in zijn befaamde werk Ahawat Chessed (9:3) het volgende: “Weet dat deze voorschriften niet alleen gelden voor werkzaamheden die vrij lang duren. Ook wanneer men iemand inhuurt voor een beetje werk, dat maximaal een cent waard is, valt hij nog steeds onder de categorie dagloner. Al het voorgaande is nog steeds van toepassing. Sommige geleerden zijn van mening dat zelfs voor werk van minder dan één cent, het verbod van verlaat uitbetalen overtreedt”. Maar de Chafeets Chaïm gaat verder: “Ook voor huur van voorwerpen en dieren gelden dezelfde voorschriften. Over de huur van onroerend goed wordt gediscussieerd in de Poskiem (de beslissende Rabbijnen). De Gaon van Wilna stelt dat men machmier (verzwarend) moet handelen. Zo staat dit ook geschreven in het werk Sja’ar haMisjpat. Dit betekent dus dat men moet oppassen om de huur van de woning op tijd te betalen”.
Interessant is nog dat deze dieniem (voorschriften) ook gelden wanneer men een minderjarige in dienst heeft of iets van hem huurt.

Rectificatie
Tot wanneer kan men de overtreding rechtzetten? In de Talmoed (B.T. Bawa Metsia 110b) wordt aangegeven dat men alleen de eerste ochtend het verbod van “Gij zult niet overnachten” overtreedt. Maar daarna overtreedt men dit verbod niet meer. Het verbod is dus maar éénmalig en niet continu. Niettemin overtreedt men een verbodsnorm uit de Diwré Kabbala (Tenach), zoals geschreven staat: “Zeg niet tegen uw naaste, ga, kom terug en morgen zal ik u geven (Spreuken 3:28)”. Toch is niet iedereen het hierover eens. Volgens Rabbenoe Niessiem overtreedt men het verbod “De zon zal er niet over ondergaan” alleen maar de eerste nacht. Maar volgens Sjieta Mekoebetset overtreedt men alleen het verbod “Gij zult niet laten overnachten” slechts eenmalig omdat dit zo in de Talmoed wordt afgeleid uit een speciale aanwijzing in de Tora. Maar het verbod “Gij zult de zon er niet over laten ondergaan” overtreedt men elke zonsondergang weer opnieuw.

Wat met vrijdagmiddag?
Wanneer men een werknemer op vrijdag heeft ingehuurd kan men niet betalen omdat het ’s avonds en overdag Sjabbat is. Sefer haChinoeg schrijft dat, omdat men de eerste ochtend niet overtreedt, men ook verder nooit meer het verbod uit de Tora overtreedt. Maar zondag handelt men wel in strijd met de norm uit het boek Spreuken. Sdé Chemed wijst ons erop dat arbeiders vrijdagmiddag altijd ruim voor nacht naar huis gaan om de Sjabbat voor te bereiden, zodat ze beschouwd worden als arbeiders die slechts per uur overdag werken. Voor hen geldt dat ze dus nog vóór Sjabbat betaald moeten worden, omdat men anders met zonsondergang te laat betaald zou hebben.

Aanneming van werk
Tot nu toe werd gesproken over dagloners en arbeiders. Hoe zit het met aanneming van werk? Uiteraard wordt dit ook behandeld in de Sjoelchan Aroech (IV:339:6). Rabbi Joseef Karo is van mening, dat wanneer men bijvoorbeeld kleding heeft gegeven aan een kleermaker, als aanneming van werk, en de kleermaker klaar is, men niet te laat betaalt zolang de kleding nog in handen is van de reparateur. Maar zodra de kleermaker de kleding heeft teruggegeven aan de opdrachtgever – ook al is dat midden op de dag – overtreedt men het verbod van “Gij zult niet laten overnachten” zodra de zon ondergaat. We zien dus dat aanneming van werk gelijk wordt gesteld met huur en dat er dus prompt betaald moet worden.

Insolventie
Natuurlijk zijn er ook uitzonderingen op de strenge betaalregel. Allereerst moet de arbeider de werkgever gevraagd hebben om het geld. Wanneer er geen verzoek om betaling van arbeider naar werkgever gaat, overtreedt de werkgever voorlopig niks. Wanneer er geen geld in kas is of wanneer de werkgever de werknemer doorstuurt naar de bank, waar hij een rekening heeft, is de werkgever ook niet in gebreke (339:10). Tevens wordt rekening gehouden met een bepaald verwachtingspatroon. Wanneer de werknemer weet dat zijn baas regelmatig insolvent is of alleen op een bepaalde dag – zoals gedurende een marktdag – geld heeft, overtreedt men het verbod niet, zelfs als de werkgever plotseling toch geld heeft buiten de marktdag. De eenvoudigste manier om het “overnachtingsverbod” te omzeilen, is door arbeiders te huren door middel van een gezant of tussenpersoon (sjalie’ach). Zo overtreden beiden het verbod niet. De werkgever niet omdat hij ze niet heeft ingehuurd en de sjalie’ach niet omdat hij niet de opdrachtgever is. Maar degene die het voordeel krijgt uit de verrichte arbeid – de werkgever dus – overtreedt natuurlijk wel het verbod uit Spreuken dat men de crediteuren, zoals in dit geval arbeiders, niet steeds mag wegsturen en hen met een kluitje in het riet zou mogen sturen. Moraal van het verhaal: laat de mensen, die zich aan u verhuren, niet wachten op hun geld. Dit lijkt een simpele regel in theorie maar de praktijk leert anders.

©Dayan mr. drs. R. Evers