Onheil volgens het Jodendom

Geschreven door de redactie

Wherever i go You are there
Wherever i turn You are there
i go up and its You
i go down and its You
i go east its You
i go west its You
Wherever i go its You, You, You
When things are good its You
And if, G’d forbid, things are not so good then its You
And as long as its You, its good’.

Adoedaleh-Rabbi Levi Jitschak von Berdichev

Inleiding
Ondanks dit artikel een eenvoudige titel draagt, is dit verslag door een zijlings kabbalistische element, een vrij moeilijk artikel wat veel denkwerk en inbeeldingsvermogen van de lezer zal vergen. Toch hopen wij dat dit artikel – ondanks zijn moeilijke elementen – een troost mag zijn.

Angst kent verschillende gradaties. Voorbeelden van mildere vormen zijn: ‘je niet op je gemak voelen’, onrust en bezorgdheid. Een voorbeeld van een meer extreme vorm is paniek. Waarom zijn wij bang en waarvoor zijn wij bang? Angst werkt in stilte, maar heeft een vernietigende kracht die je lam slaat en uiteindelijk jou in een depressie laat komen.
Angst komt vaak voort uit een vrees voor iets dat kan komen, maar niet is. Angst in het donker is hetzelfde effect: je kan niet zien waarvoor je bang bent. Angst komt vaak voort uit twijfel en verwarring. De strijd is half gewonnen als je beseft waar je angsten in geworteld zijn.

We kennen de dogma dat kwade mensen succesvol en gezond zijn en rechtvaardige mensen worden getroffen door onheil en ziekten. In hoeverre is dit waar, is dit theologisch te verantwoorden? In Ps. 92 kunnen wij het antwoord vinden op deze “dogmatische” stelling. Er staat in de verzen 6-8; 13-16 het volgende geschreven: Hoe groot zijn Uw daden, eeuwige, buitengewoon diep zijn Uw gedachten. Een redeloos mens kan het niet vatten en een dwaas heeft er geen begrip van als slechten opscheten als gras en als allen die het kwade doen een bloeitijd beleven, hetgeen tot hun verdelging leidt voor de eeuwigheid. De rechtvaardige bloeit als een palmboom, als een ceder in de Libanon groeit hij hoog op. Geplant in het Huis van de Eeuwige, bloeien zij in de voorhoven van onze G’d, gedijen zij in ouderdom, blijven zij vol levenssap en fris om te verkondigen dat de eeuwige, mijn rotsvaste steun rechtvaardig is; bij Hem is geen onrecht.

Wanneer we deze teksten nader bestuderen valt ons het volgende op: is er wel sprake van succes en gezondheid (snelle groei van gras) als het gras ook weer snel verdort? Zijn rampspoed en ziekte langzaam, maar groeien recht en sterk als een Palm- of Cederboom? Kijken wij niet op een te kort termijn, met te tijdelijke ogen door een vertroebeld glas water? Is kwaad geneigd zichzelf te straffen en vormen waarheid en gerechtigheid geen blijvende kracht? Zou de wens de vader van deze gedachten kunnen zijn?

Hasjem heeft een patroon waar onze levens allemaal in passen. Aan de ene kant is het leven een mooi kleed om te zien maar aan de andere kant zien wij een wirwar van touwen, de een korter dan de ander. Zijn patroon lijkt soms op overhoop gehaalde levens. Het is niet zo dat het ene draadje meer knopen verdient dan het andere draadje. Nee, het patroon verlangt dit van ons. Hierop verder doorbordurend kunnen wij het woord patroon vervangen in plan. Als we weer teruggaan naar patroon lijken straf en beloning in dat patroon een willekeur, zoals de beoogde wirwar van de onderkant van het kleed. Maar wanneer wij afstand nemen van dit patroon, zien wij dat iedere knoop en wirwarrig draadje een vaste plek in het grote kunstwerk heeft.
Als ieder knoopje van een draadje in Zijn Plan zou passen, mogen wij Hasjem het kwaad, het onheil toerekenen of zullen onheil en kwaad Zijn Plannen doorkruizen?
Hasjem is Schepper van Hemel en aarde. Scheppen is letterlijk orde in chaos scheppen. Chaos is oorzaak van tragedie en oorzaak dat mensen niet meer in G’ds goedheid geloven. Vanuit het Bijbels systeem van de zes Scheppingsdagen, leven wij in de vrijdag(na)middag voor de Messiaanse tijdperk: de Grote Sjabbat. We leven nog in de resten van de chaos, de toeval en tegenspoed.

Deze wereld hangt aan natuurwetten en niet aan uitzonderlijke uitspattingen der natuurwetten die wonderen genoemd worden. Dat de natuur dag in dag uit in een ordelijke wijze manifesteert in deze natuurwetten is al een onbeschrijfelijk groot wonder.
Een zwaartekracht dat ervoor zorgt – 24 uur per dag en 365 dagen in het jaar – dat wij niet in het universum zweven, waardoor wij in orde op deze planeet leven is nauwkeurig en ordelijk. Maar door diezelfde zwaartekracht kan er voor zorgen dat zware voorwerpen op mensen vallen. Zonder zwaartekracht kunnen wij niet leven, maar zwaartekracht kan met gevaren gepaard gaan deze natuurkrachten waar het zwaartekracht een onderdeel van is, trekt niemand voor. Zwaartekracht kent ook geen voorkeur. Zou de wereld er beter uitzien als HIV virus een voorkeur had voor slechte mensen? Dus goede mensen kunnen van een hoge berg naar beneden springen zonder te pletter te slaan? M.a.w. een wereld waarin goede mensen immuun zouden zijn voor de wetten zou zeer problematisch zijn. De meeste rampen, ziekten vallen daar duidelijk onder. Zij vallen onder:

Chaos
Natuurverschijnselen
En dikwijls een combinatie van punten 1 en 2
Chaos en natuurwetten behandelen iedereen hetzelfde.

Pijnen zijn waarschuwingen dat het lichaam gevaar loopt. Mensen die de erfelijke dysoutonomie hebben, weten niet wanneer zij (ernstig) ziek of overbelast zijn of een bepaald deel van het lichaam niet (meer) functioneert. We kunnen ons afvragen wat wij met onze pijn doen in plaats afvragen waarom wij pijn hebben. Worden wij bitter en afgunstig of gevoelig en meelevend?

Dieren paren niet met elkaar wanneer één een genetische afwijking heeft. Bij mensen werkt dat niet zo. Wij kunnen ons gevoel niet stopzetten als we verliefd wordt op iemand met suiker of – nog erger – kanker worden. Gelukkig mogen deze mensen ook trouwen en kinderen krijgen, alleen kan dit voor de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen lichamelijke problemen veroorzaken. M.a.w. bij dieren verdwijnt meestal de ziekelijke eigenschappen en bij de mens evolueert dit door. Soms achterhaalt een dergelijk ziekte een willekeurig jong persoon. Wonder boven wonder overleefde hij de geboorte. Maar overlijdt op zijn 40e. Zijn ouders hebben hem, vaak onwetend, een defect gen doorgegeven; iets wat in het dierenrijk veel minder voorkomt.
En elkaar kwaad doen, Als G’d Liefde is – de stelling die wij vaak horen – waarom houdt Hij kwade mensen niet tegen die goede mensen het leven zo zuur maken?

In de komende hoofdstukken – wat niet altijd gemakkelijk zal zijn – zien wij dat G’d Zichzelf een beperking heeft opgelegd zodat Hij in de meeste gevallen niet zal ingrijpen, want G’ddelijke ingrijpen is de vrijheid van de mens ontnemen, inclusief wel of niet een ander iets aan doen. Wat wij ook zelf hebben meegemaakt en is aangeleerd: wij behouden áltijd de vrijheid te kiezen om kwaad te doen, om een genie in het kwaad te zijn of goed te zijn of zelfs een genieus goed te zijn. Als dit niet zo geweest zou zijn, waarom zijn slachtoffers van Hitler die de verschrikkingen hebben overleefd niet allemaal monsters geworden? Wij zijn allemaal mensen en ten opzichte van de dieren kunnen wij kiezen tussen goed en kwaad. Hasjem was wel bij de slachtoffers die een onnoemelijk lijden ondergingen.
Veel mensen verliezen na een tragedie hun geloof. Men is opgevoed dat alles volgens Zijn Plan gaat, dat álles Zíjn Wil is. Hij is verantwoordelijk voor onze ellende. Op zijn minst concludeert men dat Hij niets ondernomen heeft.

Iedereen heeft zijn littekens en vroeg of laat zal iedereen ellende kennen. Wij mogen als weduwe of weduwnaar jaloers zijn dat praktisch iedereen in onze omgeving hun partner hebben, maar iedereen zal door de dood gescheiden worden. Hasjem trekt normaliter niemand hierin voor en aangezien Hij boven de wateren der Tijd staat, is het voor óns die gebonden zijn aan tijd soms onaanvaardbaar dat jonge mensen doorgaans nog bij elkaar zijn en oudere mensen verliezen leren kennen. Helemaal onaanvaardbaar wordt het als dit onheil op jonge leeftijd plaatsvindt. Zodra de troostende zelfs zijn of haar ellende heeft gehad, wordt een dergelijk persoon door de betrokkene sneller gezien als medestander dan tegenstander die door Hasjem wordt voorgetrokken. Echter kan er wel een ander gevaar schuilen: wedijver. Mijn ellende is groter dan die van jou, jij bent er nog goed van afgekomen.
Wellicht moeten wij leren, zoals het gebed in deze inleiding, niet te bidden voort welvaart en gezondheid, maar danken voor wat wij hebben en vragen voor moed en kracht van Hasjem voor het ondraaglijke. Hasjem staat aan de kant van de getroffenen. Hij is niet Degene Die ellende op ons afvuurt. Hij geeft kracht om problemen aan te kunnen. Hij vult onze uitgeputte reserves aan. Mensen die baden om kracht en hoop werden dikwijls zelf bronnen van kracht en hoop.

Het (nood)lot kan de bron van onze problemen vormen, maar ook van geluk. In de regel trekt Hasjem niemand voor. Echter zijn wij van overtuigd dat Hij uitzonderingen maakt. We denken dan aan koning Hizkia. Hasjem heeft Zijn redenen Hizkia’s verzoek langer te leven in te willigen. Om onder ander de “voortrekkerij” te voorkomen, beperkt Hasjem Zichzelf door Zichzelf aan de door Hemzelf ingestelde natuurwetten te onderwerpen. Ondertussen moeten wij het lijden boven de zinloosheid heffen. Denk aan de man die Auschwitz heeft overleefd toch nog een compleet leven heeft opgebouwd. Echter het noodlot sloeg weer toe. Bij een bosbrand in Frankrijk kwam heel zijn gezin in de vlammen om. Als gevolg heeft hij geld gestoken om een project die de natuur tegen bosbrand te beschermen. Hij richtte zich tot de toekomst in plaats van uit te zoeken wie of wat de oorzaak van de brand was.

In de komende hoofdstukken hopen wij te leren wat een handvat tegen onheil zou kunnen zijn, wat Hasjems aandeel in “het Kwaad” is.

Mag dit artikel een troost zijn voor iedereen.

Geloof in beloning en bestraffing
Niet eerder wil ik komen onder het tentdak van mijn huis;
Niet eerder leg ik mij op het voor mij gespreide bed.
Niet eerder gun ik mij mijn ogen slaap, noch sluimering aan mijn oogleden,
totdat ik een plaats gevonden heb voor de Eeuwige,
een residentievoor de Krachtbron van Ja’aqov…
(Tehilliem/Ps. 132)

Een van de bekendste aspecten van Joods zijn is het onlosmakend verband tussen het Joodse volk en het (extreem) lijden op universeel vlak. Dit ligt door de eeuwen heen – ondanks de fijnste beloften aan de patriarchen – in een donkere mysterie verscholen.

Tot ongeveer 1860 moesten mensen die niet in G’d geloofden zich verantwoorden en hun standpunten verdedigen. Na 1860 is het andersom. Steeds vaker worden wij met de nek aangekeken. Zijn het of je strikt bent – door je aan de duizenden regels en commentaren van de 613 mitswot houdt – of aan de engere vorm van de 13 artikelen van RaMBaM of daar de engere vorm van de drie principes van Joseef Albo.

De basisprincipes van het Jodendom luiden:

G’d is de Schepper van Hemel en aarde en was alles wat het bevat in alle vormen en levensvormen.
Hij communiceert Zijn Wil middels de Tora. Daarom is de Tora van G’ddelijke oorsprong.
de mens is de kroon van de Schepping die bezielt is met een vorm van intelligentie en dus verantwoordelijkheid.
de mens heeft keuzemogelijkheden goed of kwaad te doen. G’ds Wil najagen of negeren.
de mens is door zijn keuzemogelijkheid ook zelf aansprakelijk voor zijn acties. Hij wordt nav een goed leven beloond of nav een slecht leven gestraft met lijden en wordt geconfronteerd met daden.
In de Messiaanse tijdperk zal het “omgekeerde wereldprincipe” waarin de slechten goed gaan terwijl de rechtvaardigen tijden worden rechtgetrokken. Deze wereld zal eigenschappen als jaloezie en dergelijke niet meer bevatten.
De Holocaust – hasjoa – is tussen geloof en ongeloof de grootste uitdagen om te blijven beseffen dat wij niet alleen zijn. Hoe kan er een liefdevolle G’d zijn Die alles toelaat? Als Elie Wiesel blijft claimen te geloven in G’d nadat hij de holocaust heeft meegemaakt en zijn geloof heeft geen fractie afgenomen, maar is hij juist erg boos op Hem, wie zijn wij in Zijn bestaan te twijfelen? Hij bestaat. Geen twijfel over mogelijk, maar waarom liet Hij dit toe? Hét antwoord mogen wij niet claimen, maar vragen stellen mag altijd, hoewel de vraag irrelevant, omdat deze uit onwetendheid gesteld wordt en dikwijls is het zelfs aanmatigend omdat de vraag vanuit een arrogantie gesteld wordt.

Het (vermeende) probleem van een G’ddelijke beloning
De beloning is volgens de inspanning.
Misjna Pirke Avot 5:25

Israël betekent “hij die met G’d worstelt”. In Sjlosjah-assar ikkariem (13 principes) van RaMBaM staat in de 11e principe dat Hasjem Degene beloont die de wetten van de Tora opvolgt en gestraft zal worden die Zijn inzettingen overtreden. De grootste beloning is de Olam haba en de grootste straf is karet van het Olam haba. In Perek Helek zegt RaMBaM dat Hasjem precies weet wie Hem dienen en wie zich tegen Hem keren (Sjemot/Ex. 32:22-23).

Dit geeft ook aan dat de mens – zoals het Jodendom terecht claimt – altijd de keus heeft. De vrije wil is volgens RaMBaM (Misjneh Tora Hilkot tesjoevah 5:3) een groot fundamenteel principe en een pillaar van de Tora en de geboden (Sjlosja Assar Ikkaniem 1:3). Volgens de Misjneh Tora Hilchot Tesjoeva 5:1 is vrije wil voor een ieder bedoeld waardoor de persoon zelf beslist tsaddiek te worden of het slechte pad te kiezen. Vervolgens wordt er een verwijzing gemaakt naar Bereesjiet/Gen. 3:22. Dit betekent dat de mens een van “hen” is geworden en uniek wezen op aarde leeft dat het verschil tussen goed en kwaad heel goed weet. Hij kan kiezen wat hij wilt. Niemand zal hem tegenhouden. Misschien dat hij zijn hand uitsteekt om van de Boom des levens te nemen. Zonder principe van de vrije wil zou de Tora volgens RaMBaM niets betekenen en het concept s’jar we’onesj (beloning en straf) zou nergens op gefundeerd zijn. Volgens de Misjneh Tora Hilkot tesjoevah 5:4 kan op grond van het gebrek aan de principe van de vrije wil geen logische mitswa vinden dat de onrechtvaardige straft en de rechtvaardige beloont.

M.a.w. s’jar we’onesj is onlosmakend van de principes van vrije wil en keus. Vandaar dat RaMBaM deze fenomenen niet genoteerd heeft als twee gescheiden principes. In plaats daarvan heeft hij concept van s’jar we’onesj als één van de 13 principes vastgelegd dat als een hallachische fundamenteel concept van keuze en vrije wil onlosmakend verbonden is. Zou je dus zalig zijn als je de geboden doet? Ligt eraan wat beweegredenen zijn: doe je voor G’d of… doe je het uit eigenbelang: “Wees niet als de knechten die de baas dienen alleen maar om loon te ontvangen, maar wees als knechten die de baas dienen niet alleen om loon te ontvangen, maar heb ontzag voor G’d” (Misjneh Pirke Awot 1:3). In Misjneh Tora 10:1 (Laws of Repentance) zegt RaMBaM als hallacha hetzelfde. We mogen niet aan de Wetten houden en Toralessen nemen voor zelfbehoud. Het is niet geoorloofd op die manier Hem te dienen uit angst voor karet mie sjel Olam haba. In 10:2 zegt RaMBaM vervolgens dat je Hasjem op een onbaatzuchtige basis moet dienen. De principe van s’jar we’onesj is als het ware een “pretekst” voor het individu om Hasjem te gehoorzamen, zolang liefde boven de angst staat. Angst is zelfdienend, de nemer. Liefde is de ander dienen, de gever. Vanuit dat opzichte hou je slechts 12 principes van het Jodendom over. Degene die Hasjem uit baatzuchtige liefde dient, hebben s’jar we’onesj als principe niet nodig. Daarom is Hasjem in het Jodendom niet “a ticket to heaven”. Maar een levensdoel. Het is het willen najagen van de Waarheid.

Beloning van de mitswe is de mitswe zelf
Voer de Mitswot uit liefde uit.
BT Megilla 25b

RaMBaM codexeerde rijen van de wetten die als parameters dienen hoe Hasjem straft en beloont. Zijn intentie was simpel: het doceren van de Joodse Wet. In het Jodendom zijn beloningen en straffen Wetten binnen het Jodendom en niet het aanhangen als verdiende punten op een hoger niveau. In het Jodendom is het houden van de mitswot als een beloning, als of jij je salaris ontvangt na een maand werk (Misjneh Pirke Awot 2:16; Wajjikra 26:3). Wajjikra/Lev. 19:15, Parasja Kadoesja, zegt: Laat niet het loon van de daggelder bij je overnachten tot ‘s morgens. Rasji zegt hierop dat dit het te vergelijken is met een koning die werknemers inhuurt en belooft hen voor het gewerkte arbeid te betalen. Precies zoals Tehilliem/Psalm 147:9 zegt: Die zijn woord – de Tora – méldde aan Jákob, aan Ísraël zijn ínzettingen, zijn régels. De commentaar van de Midrasj (Sjemot Rabbah 30) zegt dat wanneer Hasjem Israël gebiedt te observeren, dat Hij Zichzelf observeert. An’iem Zemierot, een van de zeven liederen van de Sjabbat als Berachot 6a vertelt dat Hasjem Zelf Tefillin aanlegt, zoals Hij de Jood dit opdraagt.

In het Jodendom gaat beloning en straf hand in hand en dat Hasjem Zichzelf verplicht is de mens te belonen voor zijn werk. Hasjem komt tot de mens en vraagt hem Hem te dienen. De mens gaat akkoord. Dus is Hasjem verplicht Zichzelf de mens te belonen voor zijn diensten. Er is meer. In het Jodendom is betaling voor diensten verplicht mits het werk uit vrije wil is gegaan. Echter wanneer er sprake is van slavernij, uit grond van humanitaire regels, moet de meester voor primaire levensonderhoud zorgen. Maar dat is geen salaris. Wetende dat de Tora steeds spreekt over het Joodse volk als slaven van de Allerhoogste (zie bijvoorbeeld Wajjikra 25:55), Kiddoesjiem hoofdstuk 8 zegt: (een Jood altijd verklaart); ‘ik ben alleen geschapen om mijn Schepper te dienen. Waarom verdient het Joodse volk dan tóch een beloning?

Als een medewerker een loon verdient voor zijn ingehuurde diensten, zit daar geen gevoel bij en komt dit na een vaste periode. Bij beloningen die gebonden zijn aan de Tora en mitswot zijn de resultaten van de beloningen die direct te ondervinden zijn. Zo is het ook met zonde. Rabbi Shneur Zalman van Liadi zei dat de beloning van de mitswe de mitswe zelf is. `G´d straft onmiddellijk` is ook geen Joodse uitdrukking, immers jouw slechtheid straft jou. De zonde zelf straft je. Sjabbat is een gebod dat de zevende dag geheiligd moet worden. De beloning is dat heerlijke gevoel van saamhorigheid met je gezin en Hasjem. Dit gevoel is werkelijk niet te beschrijven. Niets is vanzelf sprekend. In het Jodendom wordt je geleerd dankbaar te zijn. Zo ook naar de Schepper. Vanuit dat dankbare standpunt, is dat de reden waarom de Jood over al het eten een beracha uitspreekt.

Al met al is de mitswe de Wil van de Oneindige Schepper te doen en aangezien de Tora en G´d EEN zijn, is Hijzelf en Zijn Wil EEN.

G´ds plaats in de laagste wereld
…Want Hij liet Zijn keuze op Tsion vallen, verlangde er naar als woonplaats voor Zichzelf…
kie vachar Hasjem betsion, ‘iwah lemosjav lo…
Geprezen vanuit Tsion, Eeuwige Die zetelt in Jeroesjalajiem, Halleloejah…
Baroech Hasjem mitsion sjochen Jeroesjalajiem haleloejah…

(Tehilliem/Ps. 72:18; 135:21).

Rabbi Shneur Zalman of Liadi zei dat Hasjem Zijn plaats in de laagste wereld van alle werelden wenst. Iedereen heeft een thuis nodig. Zoals Jevamot 63a zegt dat ieder persoon die geen huis heeft, geen echt persoon of echt zichzelf is. Als je van huis bent, ben je nooit helemaal jezelf. Je past je aan de omgeving aan waarin jij je bevindt en dat is werkelijk overal anders. Vandaar dat iemand die geen huis heeft constant in aanpassing van zijn omgeving is. In je eigen huis heb jij je eigen privacy waar geen aanpassing van je geëist wordt.

Waarom wenst G’d een thuis in deze laagste wereld?

Een koning kan niet lekker winkelen wanneer hij wilt. Hij moet zichzelf wel overwogen presenteren, want zijn woorden worden gewogen, immers je bent altijd koning. Maar thuis kan hij totaal zichzelf zijn. Zeker zo met de Koning der koningen. Hasjem kan in de spirituele werelden – vanwaar Hij regeert – niet Zichzelf zijn. Daarom kunnen de spirituele werelden geen thuis voor Hem zijn. De spirituele werelden sluieren Hem omdat Hij vanuit Zijn koningschap Zichzelf niet kan zijn.

Zodra de Messiaanse rijk aanvangt, dan zal de Leraar niet meer verborgen zijn (Jesjajahoe 30:20) Rabbi Shneur Zalman zegt in de Tanya dat de betrekking heeft op de versluiering, verborgenheid van de Eeuwige dat in die tijd niet meer van toepassing is. Dit kan doorgetrokken worden in de 11e en de 12e principes van RaMBaM.

De Eeuwige verlangt Zijn woning in de laagste van alle werelden, als dus de Midrasj (Tanchoema Nasso 16; Bechokosai 3). Wat houdt “laagste” in? Het heeft niets met hiërarchie te maken. Deze materialistische, fysieke wereld is niet hiërarchisch gezien de laagste wereld. Laagste heeft een andere rangorde:
G’d heeft heel veel werelden geschapen. Deze werelden zijn niet “genummerd” zodat je ze op die manier op een hiërarchische wijze een label op kunt plakken. De rabbijnen spreken over deze werelden ‘alamot’ in de zin van ‘olomos’: werelden zonder nummers. De hoogte/laagte van een wereld hangt dus niet van hiërarchie af. Het hangt af van de hoeveelheid G’ddelijke Licht af die in zo’n wereld manifesteert. Hoe meer hoe hoger de wereld is. Het is dus een hiërarchie van geestelijk licht waar onze wereld de laagste in rangorde is. Het G’ddelijke Licht waar wij niet zonder mee kunnen leven is verborgen. We kunnen dat Licht niet zien. Dat Licht ontstond in Bereesjiet/Gen. 1:3 Wa’omer Elokiem, jehie ‘or, wajehie-or. Toen pas begon Hasjem met het scheppen van de laagste wereld. In de andere wereld is dat Licht meer zichtbaar. Hasjem is deze wereld geheel verborgen. Het gaat dus om de kwantiteit van het G’ddelijke Licht.

Onze wereld bestaat uit 4 categorieën:

Mineralen
Planten
Dieren
Intellectuelen
Ieder onderdeel van ieder categorie bevat dat G’ddelijke Licht. Zonder dat Licht is niets of niemand in staat te bestaan, laat staan te leven. Echter het G’ddelijke Licht dat in alle categorieën aanwezig is, is niet gelijk. Het is kwalitatief verschillend. Mineralen hebben niet zoals planten een mogelijkheid om te groeien. Planten hebben niet zoals de dieren de keuze wat ze willen eten en wat niet, maar de dieren hebben geen intellectuele keuze zoals wij die weer hebben.

Met de hoogte of laagte van de werelden heeft te maken met de kwantiteit van Hasjems Licht en in deze wereld hang het af van de kwaliteit van het Licht. Maar onder de vier categorieën is geen onderscheid van kwantiteit van het G’ddelijk Licht. Het is daarom een leugen om te denken dat alles en iedereen niet onder invloed staat van een veel hogere Macht Die alle touwtjes in handen heeft. Men ziet het niet en daarom lijken zij even onwetend van Zijn regie als een steen! Daarom moeten wij niet afgaan wat ons oog ziet, maar wat Hasjem in onze harten legt: Dit zal voor jullie het voorschrift van de tsietsiet zijn en wanneer jullie die zien, zullen jullie denken aan alle geboden van de Eeuwige en ze ook volbrengen, waardoor jullie niet naar andere wegen omkijken geleid door jullie hart en jullie ogen, die, door hen te volgen, jullie afvallig zouden maken, zodat jullie je al Mijn geboden weer zullen herinneren en die zullen volbrengen en jullie gewijd zullen blijven aan jullie G’d…. Bamidbar/Num. 15.

Omdat Hasjem Zelf niet zichtbaar is, denken vele dat de wereld een op zichzelf staand feit is, zonder Schepper, dat middels circle of life zichzelf in leven houdt of dat wij vanuit niets naar iets zijn geëvolueerd zijn. Volgens de Zohar is deze wereld, omdat we Hasjem niet zien en omdat er moeilijk in een Schepper geloofd kan worden, een paleis zonder enig Regent. Uit de Joodse mystiek hebben we reeds begrepen dat deze wereld daar naast de laagste wereld is en toch koos Hasjem om hier Zijn woning te hebben. Volgens de Chassidoes kent het woord “woning” twee betekenissen:

In je eigen woning ben je compleet jezelf waar in je joggingbroek ongegeneerd op de bank uit je neus kunt peuteren. En als je per ongeluk ook nog een windje laat, zal gezinsleden hooguit “ieuw” uitslaken, maar schaamte hoef je niet in je woning niet te kennen. Het is de plaats waar iemand zonder compromissen zichzelf kan zijn.
In je eigen woning kan jij je eigen karakter uiten zoals werkelijk bent. Een Managementassistent zal gewaardeerd worden voor zijn of haar organisatorisch talent en oog voor detail wat er binnen de afdelingen van zijn of haar Manager gebeurd, maar dat hij of zij een tikkeltje chaotisch kan zijn, maar ondertussen medelevend is zou het laatste zijn of haar werkgever een worst wezen. Thuis wordt zowel zijn of haar organisatorisch talent als zijn of haar chaotische en meelevende karakter als een totaalpakket geaccepteerd worden.
Dus: woning betekent een totale expressie van iemands persoonlijkheid zowel kwantitatief als kwalitatief. De Talmoed zegt ook dat een mens zonder woning geen compleet mens is.

Nu we dit begrijpen gaan we ook langzaam snappen waarom Hasjems verlangen om hier op aarde – zij het in de Misjkan, zij het in Bejt hamiqdasj – Zijn Woning wilt hebben. Een woning waar Hij Zijn totale expressie van Zijn Licht – geprezen is Hij – zowel kwantitatief als kwalitatief kan geven.

De hogere werelden kunnen zijn Woning niet zij. Zij zijn naast Hasjems “werkplaats” als het ware gelijk een medium (zoals een zon die met haar stralen de aarde verwarmt) werken zodat het fysieke wereld Hasjems huis kan zijn. Je houden aan de Tora geeft ons de mogelijkheid Hasjem wel te herkennen in plaats te vallen in het atheïsme en Darwinisme etc. Door de mistwot invulling te geven transformeren wij de mondaine wereld in een heilige woning voor Hasjem, want laten we eerlijk wezen: een koning laat je niet in een plaggenhut wonen!

De keuze om de vrije keuze los te laten
Iemands bedoeling om G’ds Wil te doen moet voor de Hemel zijn.
Wie de praktijken voor een ander reden doet, zou beter af zijn als hij niet geschapen zou zijn.

BT Berachot 17a

Wij willen Hasjem thuis laten komen. Niet als een gast in Zijn eigen Woning, maar als Eigenaar en Hoofd van Zijn huishouding. Hoe meer wij inzetten om de mistwot een invulling te geven, des te meer Hij Zichzelf thuis voelt! Zijn wens is dat de mensen er alles aan doen zodat Hij hier comfortabel kan wonen.

Wij hebben geleerd dat wij een vrije keuze en een vrije wil hebben. Dit onderscheid ons van de dieren. De RaMBaM zegt ook dat de principe van de vrije wil een kardinale principe van het Jodendom is dat het fundament van de Tora en alle geboden dient. Hasjem wilt niet alleen Zich zodanig thuis voelen zodat Hij het gevoel heeft gast in Zijn Eigen huis te zijn. Hij wilt dat wij erkennen dat Zijn thuis altijd Zijn huis is geweest! Door de mitswot een invulling te geven, leren wij beetje bij beetje dat alles G´ddelijke oorsprong heeft.
Hoe kunnen we niet alleen Hasjem in deze wereld vinden maar ook Hem het gevoel te geven dat Hij hier Zichzelf kan zijn en thuis kan voelen? De Joodse mystiek zegt dat ondanks het feit dat Torastudie en de mitswot uit vrije keuze gedaan moet worden, gaat dit niet samen met liefde voor Hasjem. Wanneer je dienaar van Hasjem wilt zijn dat Hem dient door te doen wat Hij hem opdraagt, legt hij zijn eigen vrije keuze af. Wanneer iemand Hasjem dient omdat Hij van Hasjem houdt, is hij geen dienaar van Hasjem. Hij dient Hasjem uit eigenbelang. Zijn honger om Hasjem te dienen uit die liefde moet immers gestild worden. In feite dient hij Hasjem niet, hij dient zichzelf. Het draait om de persoonlijke motivatie.
Iemand die Hasjem dient door zijn vrije wil los te laten, neemt de Hemelse juk op zijn schouders en moet een lege vat zijn zonder iedere vorm van egoïsme of eigen belang (de honger voor liefde dat gestild moet worden). Iemand die Hasjem dient uit liefde, doet wat hijzelf wilt, hij kiest er voor (omdat hij van Hem houdt) Hem te dienen. Hij kan niet heilig worden omdat zijn wil – ondanks het altijd belangrijker is – de Tora uit liefde najaagt. Dat is hetzelfde vorm van egoïsme is als het najagen van geld – uit liefde voor materialisme. De persoonlijke verlangen in het een of het ander vanuit persoonlijke voorliefde is hetzelfde vorm van egoïsme: doen wat hen gelukkig maakt. Een goede Torastudent maakt van hem niet per definitie een goede dienaar van de Almachtige!

Wat het fundamentele belang van vrijheid van keuze? Zou het niet beter zijn wanneer de mens als robots Hasjem dienen? Nee, want hoe kan Hasjem Zich welkom voelen in Zijn Eigen huis als de bewoners voorgeprogrammeerd Hem dienen? Hij wilt dat de mens een liefdevol huis voor Hem bouwen om Hem dáár van dienst te zijn. Het Jodendom is voor keuze van vrijheid, maar mag de mitswot niet uit eigenbelang vervullen omdat hij zo van Hasjem houdt, want dat is een vorm van egocentrisme. Er is dan dus een liefde dat dan ingevuld moet worden. Het Jodendom wilt dat wij ervoor kiezen onszelf over te geven óm de Tora te bestuderen en de mitswot een invulling te geven. Door iedere mitswe een invulling te geven, transformeren wij langzaam deze wereld in een warme welkom voor de Hoogste Rechter van het universum, dat bij een echte Koning past!

De mitswe om van Hasjem te houden
Je moet van de Eeuwige, je G’d, houden met
heel je hart,
heel je ziel en
met alles waartoe je bij machte bent.

Dwariem/Deut. 5:6

De vrijheid om te kiezen is volgens RaMBaM (Laws of Repentance 5:1-3) het fundament van de Tora. Dat fundament lezen wij in parasja Nitsaviem. Dwariem/Deut. 30:15: Zie eens, vandaag leg Ik je voor het leven en het geluk, de dood en het ongeluk. Deze keuze vormt het fundament in de relatie tussen Hasjem en de mens. Hasjem wilt op uitnodiging van de mens hier wonen. Wanneer iemand uit liefde en dus een vorm van egoïsme Hasjem zou uitnodigen, is Hasjem toch Gast in Zijn Eigen huis. Ja het zijn ongetwijfeld goede Torastudenten en behandelen hun G’d met de meest denkbare respect, maar dan toch blijft Hij Gast in Zijn Eigen huis. Dit is vaak ongewild. De Gast vult hun honger ten behoeve van hun response voor liefde in, dat vanuit hun behoefte om Hasjem lief te hebben is ontstaan. Het is dus vanuit hun verlangen, dus vanuit hun ego. De keuze van vrijheid om goed te doen moet de keuze zijn, zijn ego achter te stellen tot het dienen van Hasjem, immers Joden zijn de dienaren van Hasjem. Dat is de enige manier om de mitswot een invulling te geven. Dit is avodah, G’ddelijke aanbidding. Dit gaat uit de jirat hasjem, vrees voor Hasjem, wat een belangrijke plaats in het Jodendom neemt. Deze vorm van vrees is geen angst, maar enorme eerbied dat gevoed wordt door het afleggen van zelfinteresses, persoonlijke wil en het omhelzen van de G’ddelijke wil. Liefde voor Hasjem is het tegenovergestelde. Rabbi Shneur Zalman besprak in de de volgende parabel:

“Zoals een vogel niet met één vleugel kan vliegen, zo is het ook met de vrees voor G’d dat zonder liefde niet toereikend is. Voor vrees en liefde zijn twee vleugels nodig zoals het is uitgelegd in de Tikkoeniem. Vrees alleen is één vleugel en iemands dienstbewijzen is niet in staat op goede hoogte te komen… daarvoor moet ook hij – ten behoeve van het ontwaken (bewust worden) – op zijn minst bewust worden van de verborgen liefde in zijn hart. Het in gedachten bewust worden van de Liefde van EEN G’d en het verlangen om zich aan Hem te hechten, zal gezegend zijn.”

De vogel heeft dus twee vleugels nodig. Enkel en alleen liefde of enkel en alleen vrees volstaat niet voor een goede veilige vlucht. De Rebbe (rabbi Menachem Schneerson) Z”L zei dat een vogel niet vliegt door enkel en alleen zijn vleugels te gebruiken. Nee, ze moeten tegengestelde richtingen flapperen. Dus het niet kunnen vliegen doordat een vogel slechts een vleugel heeft, volstaat niet. De twee vleugels van vrees en liefde is ook niet voldoende. Een kracht in een vleugel laat de vogel letterlijk rondjes vliegen. Noodzakelijk zijn de twee vleugels die twee tegenstrijdige krachten vormen zodat de vogel stabiel omhoog kan stijgen. De vleugels van liefde en vrees die tegenovergestelde werken, brengen onze mitswot naar de Hemel. De twee tegengestelde krachten, liefde en vrees is op de eerste plaats het afleggen van je eigen wil aan Hasjem als een dienaar dat verlangt iedere wens ten uitvoer te brengen van G’ds Wil. Op de tweede plaatst moet het dienen van Hasjem met vreugde, vitaliteit en eigen initiatief gaan. Deze twee tegengestelde krachten van liefde en vrees staan parallel voor de tegengestelde elementen die we eerder bespraken: vrijheid van keuze en het accepteren van het Hemelse juk dat licht is.
Volgens de Ari (Rabbi Jitschak Luria, dé 15e eeuwse Kabbalist) is het resultaat van het nemen van het Hemelse juk de liefde voor Hasjem. Een voorbeeld is het gebod van de tefillin. Immers de geboden worden positief gegeven: je zal hen [teffilin] binden zoals je van de Heer je G’d houdt. Hasjem instrueerde ons Zijn geboden inclusief de Hemelse vrijheid van keuze aan de ene kant en het afleggen van je eigen wil om de Wil van de Schepper te doen, aan de andere kant: het hemelse imperatief van Hem te houden. Het houden van Hasjem is dan niet op jezelf gerichte liefde, maar het een positief gebod om van G’d te houden. Dit is de liefde dat naar Hem gericht is.
De reden van de Schepping is een woning voor G’d hier op aarde te maken in deze lagere wereld. Deze Woning moet door de bewoners van deze wereld worden gebouwd om vervolgens Hem uit te nodigen zodat Hij de woning Eigen maakt. Omdat deze wereld een wereld van tweeheid is, de wereld van de tegenstellingen, is het dienen van G’d ook in tegenstellingen:

Vrijheid van keuze
Afleggen van je eigen wil om de Wil van de Schepper te doen.

Liefde voor Hasjem is Tora, vrees voor Hasjem zijn de mitsvot
De Tora en mitsvot zijn emanaties van G’ds Essentie
en
dat is de ware EENheid.
Wanneer een persoon iedere mitswe op de goede manier en met liefde uitvoert,
– devejkoes –
dan krijgt hij begrip van de Eenheid

Ner Mitzvah 13a

Hasjem wilt Zich niet alleen Zich thuis in deze Woning voelen, maar door onszelf geheel af te leggen, wordt deze wereld Zijn Woning waar Hij Heer en Meester is. Dit kan uitsluitend middels de mitswot. Het is belangrijk dat iemand goed begrijpt wat hij tijdens zijn Torastudie leert. Tora en Hasjem zijn EEN. Wanneer iemand studeert en de Tora begrijpt, wordt het G’ddelijke als het ware één met de student. Als je faalt, faalt de eenheid met Hasjems wijsheid.

Rabbi Shneur Zalman zegt in Tanya hoofdstuk 5 dat de Tora het brood is en dus voedsel voor de ziel. De Tora voedt de ziel: het lichaam heeft fysieke brood nodig dat door het lichaam wordt geabsorbeerd, dat vervolgens in bloed en vlees getransformeerd wordt. Hierdoor leeft en bestaat iemand. Zo is het ook met de Tora en de vergelijking tussen de ziel van degene die studeert en de concentratie van zijn intellect totdat de Tora is geabsorbeerd in zijn intellect en een is geworden zoals het brood met het lichaam. Het wordt voedsel voor de ziel en wordt omgezet in leven van de Gever van het Leven, Gezegend is Hij, G’d Zelf Die gekleed is in Zijn wijsheid en Zijn Tora.

Om Hasjem te kunnen uitnodigen en Hem thuis te laten voelen is Zijn Woning in deze lagere wereld, moeten wij gekleed zijn in Zijn Wijsheid en Tora. Dit kan enkel door concentratie en begrijpen van de Tora. Dat is de reden waarom Joden de Tora opmompelen. Het moet niet bij mompelen blijven. Je moet de Tora niet slechts lezen. Zo is het ook met de mitswot. Het is jezelf afleggen aan G’ds Wil. Het is een actie en de rest is minder van belang. Liefde en vrees voor G’d legt de betekenis van de meditatie tijdens Torastudie vast, terwijl de mitswot daardoor wordt ingevuld. Dit komt vanuit de vrije keus G’d te willen dienen waardoor jij je eigen wil aflegt en het Hemelse juk op je neemt. Het Hemelse juk is niet zwaar. כִּי-קָרוֹב אֵלֶיךָ הַדָּבָר; kie qarov ‘elejcha hadabar: volkomen binnen je bereik is het gebod [Tora]. Dwariem/Deut. 30:14

In één van de Limmoedklassen paar jaar geleden heeft een van ons een uur filosofieles gehad van een orthodoxe filosoof. De stelling van deze filosofieles luidde:

Riem onder het hart of hart onder het riem?
Uitkomst: riem OP het hart.
Waarom?
Door de Sjema! En onze Sjema luidt:
Luister, Jisraël! De Eeuwige is onze G’d, de Eeuwige is EEN. Je moet van de Eeuwige, je G’d, houden met heel je hart, heel je ziel en met alles waartoe je bij machte bent. Neem deze woorden die Ik je heden als gebod voorschrijf ter harte, Je moet ze voor je kinderen telkens en telkens weer herhalen en er over spreken als je thuis zit en als je onderweg bent, als je gaat slapen en als je opstaat Je moet ze als een teken op je hand binden en als een herinneringsband tussen je ogen en ze schrijven op de deurposten van je huis en aan je poorten… Dwariem/Deut. 6:4 ev.

De buitenwereld vindt die 613 wetjes en regeltjes maar beknottend, benauwend. Niet realiserend dat het Hasjems woorden zijn. Onderwijl wordt er ons gevraagd: zijn die regels niet benauwend? Waarop wij antwoorden: volstrekt niet! In tegendeel: het is bevrijdend! Het is als een riem om ons hart! Hoe dat zo? Hasjem is oneindig groot, niet te vangen, niet te beperken en toen Hij met Zijn Sjechina (Heerlijkheid) met ons in de woestijn was woonde Hij in Zijn Ark, niet groter dan 7 meter. Kunnen jullie dit voorstellen? Een oneindig groot machtig heerlijk Persoon woont tussen ons, tientallen jaren, in een kistje van nog geen 10 meter! Dachten jullie dat Hij Zich gevangen voelde door ons? Dacht je dat Hij Zich líet vangen door ons? Zo is het ook met de 613 Wetten. Het is als een riem om ons hart waartussen de Wet ligt. Het is in ons hart gelegd. Voor vele benauwend… zo’n riem om je hart. Voor ons betekent die riem van 613 wetten op ons hart vrijheid ipv benauwdheid.
Daarnaast heeft het Burgelijk Wetboek – die iedere Nederlander dient te kennen – meer wetten en regels en wij horen niemand hierover.
Het is nu wellicht duidelijk waarom Torastudie niet alleen uit vrees voor Hasjem en ook de mitswot alleen uit liefde voor Hasjem gedaan moeten worden. Dat is uit eigenbelang. Hasjems woning in deze lage wereld is incompleet. De eenheid met Zijn wijsheid en Tora met individu is ver te zoeken.

De Talmoed ondersteunt de Tora en moet bij de Torastudie betrokken worden om uitleg en wijsheden die daarin vastgelegd zijn uitleg te geven. Een voorbeeld is Eroevien 13: Rabbi Abba zegt in de naam van Sjmoel: drie jaar lang hebben de leerscholen van Sjammai en Hillel een discussie over een bepaalde mitswe gehad. Ieder claimde dat de Halacha hun interpretatie moet opvolgen. Plotseling hoorden men een Hemelse stem zeggende: ‘beide zijn de woorden van de Levende G’d, maar de halacha moet worden opgevolgd volgens het Leerhuis van Hillel.
Als beide de woorden van G’d zijn, waarom moet de interpretatie van Hillel als Halacha worden opgevolgd? Omdat zij rustig en nederig (volgens Rasji ook geduldig) waren en in hun academie werden de beide interpretaties bestudeerd: hun eigen interpretatie als die van het Leerhuis van Sjammai. Daarnaast zouden zij altijd hun eigen woorden áls die van het Leerhuis van Sjammai hebben opgevolgd.

We kunnen het volgende hieruit leren: de Tora trekt niemand voor. Maar in dit geval werd het Leerhuis van Hillel om zijn nederigheid alom geprezen en hun interpretatie als Halacha vastgelegd. De Tora is géén intellectuele oefening, maar een ontmoeting met de Schepper. Nederigheid is het belangrijkste binnen het Jodendom. Arrogantie om bijvoorbeeld faam als Torastudent te behalen is not done. Arrogantie vult het menselijk vat en het intellectuele vat voor de Tora is dan te vol. Nederigheid in Torastudie levert diepe inzichten op.

De mitswot zijn te onderscheiden tussen de categorieën choekiem, de suprationele mitswot en de misjpatiem, de rationele mitswot. Met betrekking tot Torastudie geniet men op twee manieren om de mitswot een invulling te geven:

De mitswot laat de mens het Hemelse juk op zich nemen
Nu het juk is opgenomen, worden de mitswot met het intellect één gemaakt, net zoals bij de Torastudie.
Concluderend:
Hasjem wenst menselijke dienaren met vrije keuzen en geen voorgeprogrammeerde computers die klakkeloos Zijn Wil doen. Maar aan de ándere kant verlangt Hasjem van ons dat wij onze eigen wil – uit vrije keus – loslaten om Zijn Wil op te volgen zoals een dienaar van een baas zonder inbreng van zijn eigen mening die opdrachten van de opdrachtgever opvolgt. Deze manier van Hasjem dienen uit zich op drie manieren:

Om de Tora en de mitswot op te volgen dient men het Hemelse juk op zich te nemen. Dit moet uit vrije wil (vrijwillig) gaan
De studie van de Tora en het invullen van de mitswot worden uit liefde voor Hasjem gedaan. Het is een persoonlijke participatie in het dienen van Hasjem. De ware studie van de Tora en het ware invullen van de mitswot worden uit vrees voor Hasjem gedaan. Het is een uiting van ondergeschiktheid en onbaatzuchtigheid.
De Tora en de mitswot nodigen ons uit voor intellectuele deelname in het dienen van Hasjem. Dit uit zich in het doorgronden van de Tora en mitswot. Het invullen van de Tora en mitswot gaan vanuit liefde en enthousiasme. De Tora kan uitsluitend begrepen worden wanneer iemand zijn eigen wil uit vrije keuze aflegt om zo de G’ddelijke inzicht van de Tora te vergaren en zijn ziel als brood te voeden. Dit kan uitsluitend gebeuren wanneer je vanuit nederigheid als een lege vat bent zodat de Wijsheid van de Tora opgevangen kan worden.
Jodendom verlangt nederigheid, eerlijkheid en een onvoorwaardelijke toewijding van de kant van de mens om G’d te kunnen dienen.

Beloning en straf staan centraal
Romeinse gouverneur Tinius Rufus vroeg rabbi Akiwa:
“Als uw G’d de armen lief heeft, waarom onderhoudt Hij hen niet?”
Rabbi Akiwa antwoordde:
“Zodat wij door middel van sociale bewogenheid gered zullen worden van de straf van de Gehinnom.”

BT Bava Batra 10a

Waarom staan beloning en straf centraal? Wat is eigenlijk een van de moeilijkste opgave voor een mens? Iets weggeven dat je met bloed, zweet en tranen bij elkaar gewerkt hebt. We spreken over de mitswe van tsaddeka. Dwariem/Deut. 14:22 zegt: tienden zul je afzonderen … ‘aser t’aser. De Talmoed merkt op: ‘aser bisjviel sjeti’aser. Wanneer iemand zonder vooringenomenheid geeft, zal hij beloond worden. Die vooringenomenheid en motieven vervallen wanneer je als dienaar – uitsluitend als dienaar – van Hasjem tsadekka geeft. Waarom compenseert Hasjem de Joden voor het vervullen van Zijn mitswot? Door de hele Tora zien we dat wij geen werknemers maar dienaren van Hasjem zijn. Werknemers ontvangen namelijk een vast salaris. Dienaren ontvangen variabele beloningen. Wat is die beloning? Sehar mitswe mitswe: de beloning voor een mitswe is de mitswe zelf. Hasjem wilt Zich herenigen met de gehele schepping en dat kan alleen wanneer de wereld zich aan Zijn wil overgeeft en wanneer dat vrijwillig gebeurt, brengt men Hasjem in Zijn wereld. Dit zal pas gehele in de Messiaanse tijdperk – het Olam haba – tot zijn recht komen (Jesjajoe 11:9). Fysieke participatie in het dienen van Hasjem is van belang, immers [zij in beperkte vorm] alles op aarde heeft iets G’ddelijks. Denk aan de leren banden van de Tefillin. Het is uiterst bijzonder omdat als voorwerp gebruikt wordt de mitswe van de Tefillin te vervullen. Wanneer er een fysieke participatie zou zijn, dan zou het fysieke waardeloos zijn binnen het religieuze waardoor geen G’ddelijke vonk in fysieke voorwerpen zou bestaan. Daarom vinden christenen en seculieren het Jodendom een religie van uiterlijkheden is. Dit is geen terechte waarneming. Als het morgengebed zonder fysieke Tefillin zou plaatsvinden, impliceer je dat materiële objecten van deze fysieke wereld (zoals het leer van de Tefillin) niet tot G’d toebehoort! De fysieke wereld zou buitengesloten worden. Alles wat fysiek is, is G’ddelijk. Dat wordt in vier sleutelgebieden van de Tora-theologie weergegeven:

De mens moet compleet vanuit zijn eigen wil Hasjems Wil tot uitvoering brengen. Intelligentie en rationele processen van het individu dat Hasjem dient moet door keuze van je vrije wil tot uiting komen. Dat dienen is het afleggen van je wil (niet die vrijheid van keuze) om Hasjems Wil te doen en zo wordt de menselijke gedachten G’ddelijke gedachten.
Het dienen van Hasjem niet alleen uit vrees maar ook uit liefde. Dit is een emotionele participatie. Hierdoor wordt het hart ook G’ddelijk.
De mitswot is een tegenhanger van de Tora. De Tora dat zich in de menselijke intellect moet inbedden dienst als de ultieme expressie van de spirituele onderdelen van de mens:
Gedachte
Spraak en
actie
Het feit dat het uitdragen van de mitswot en Tora fysieke objecten (Dwariem/Deut. 6:9; Bamidbar/Num. 15:37-41) eist maakt de gehele wereld heilig.
En nu hebben we hier de dogma van beloning en straf. Voor elke keer dat wij een mitswe voldoen, ontvangen wij een fysieke beloning. Dit toon aan dat de Tora en mitswot niet alleen ene spirituele maar ook fysieke dementie kent. Iedere keer dat er een mitswe wordt gedaan, heeft een fysiek resultaat en iedere geestelijke onderneming heeft een fysieke uitwerking. Iedere spirituele handeling heeft niet alleen een fysieke tegenhanger maar heeft meer effect op de fysieke wereld. Hierdoor wordt het fysieke en spirituele herenigd. Als je een mitswe doet, ontsluier je Hasjem meer en meer en Hij staat dichter tot deze wereld.
Het neveneffect door slechte daden is net zo goed mogelijk. Voorbeeld: tsadekka maakt iemand rijker. Door het te geven brengt het individu Hasjem dichter in Zijn wereld en dat manifesteert in een groter materiële realiteit: zijn geld, zijn rijkdom, het wordt meer en meer. De consequentie dat Hasjem dichterbij is, is dat rijkdom toeneemt. Fysieke wereld is immers G’ddelijk. Dus niet alleen het spirituele wereld groei, maar ook het fysieke. Zij zijn beide een.

Hetzelfde geldt wanneer je zondigt. Door een zonde maak je afstand tussen Hasjem en de wereld alleen maar groter. Hasjem kan niet in een zondige omgeving verkeren. Men kan immers geen twee heren dienen. Degene die bijvoorbeeld bloed vergiet, zal zijn straf verlies zijn. Niet alleen iets van zijn spirituele onschuld, maar ook in de fysieke wereld. De kloof die hij creëert tussen Hasjem en de fysieke wereld manifesteert in het individu en wordt daarom meer en meer van deze wereld afgesneden. Het is simpelweg de consequentie van zijn eigen daad dat een directe inpakt heeft in zowel de spirituele als in de fysieke realiteit. Deze principe van beloning en straf dat zowel in de spirituele wereld zijn uitwerking heeft is te lezen in Dwariem 11:13-21.

Wanneer Hasjem in deze wereld door de Joden minder betrokken wordt, stopt de regen. Automatisch heeft dit gevolgen voor de fysieke wereld. Er is door het wegdrijven van Hasjems aanwezigheid minder spiritualiteit en heiligheid. Dus is er minder regen en dus geen opbrengst. De wandaden van de daders heeft dus een groot effect. In het geval van Dwariem 11: de Joden werden uit hun land gedreven. Andersom brengt Hasjem dichter tot Zijn wereld waardoor Hij meer en meer betrokken raakt. Het resultaat is direct fysiek zichtbaar: toename van succes, meer graan, meer wijn, meer olie. Hoe meer toename van het spirituele en heiligheid hoe meer fysieke toename van zegen, want beide zijn EEN. Zoals we eerder aangaven: de tijd van de Masjiach betekent rijkdom, einde aan de dood en ziekte en toename van vreugde en vrede. De messiaanse tijd is de tijd dat Hasjem herenigd is met deze wereld. Effect blijft niet uit: materiële perfectie. Hasjems spirituele Licht zal optimaal in deze wereld schijnen.

De Tora is niet meer in de Hemelen, maar is geïntegreerd in deze wereld. G’ds Woord is hierdoor niet meer buitenaards maar een onderdeel ban deze wereld (zie Dwariem 30:11). Stel dat er geen beloning en straf zou bestaan, dan zou er geen eenheid bestaan tussen het spirituele en fysieke werelden. Het zouden twee verschillende identiteiten zijn. Door beloning en straf zijn deze twee werelden van elkaar afhankelijk. Ze zijn in elkaar verwikkeld door oorzaak en gevolg van wel of niet je houden aan de mitswot. Er is wel één essentieel verschil tussen de twee werelden die in elkaar verwikkeld zijn: in de hogere werelden is Hasjem Persoonlijk aanwezig en waarneembaar, maar hier is Hij weliswaar ook aanwezig, maar Zijn aanwezigheid is verborgen.

Niemand twijfelt er aan dat het doen van een mitswe de heiligheid en G’ddelijkheid in deze wereld toeneemt. Verborgenheid neemt toe. Als je een mitswe vervult, neemt naast de verborgen heiligheid en G’ddelijkheid de zichtbare materialisme, gezondheid en rijkdom toe. Waarom accepteren wij wel het verborgen en niet de zichtbare feiten? M.a.w. waarom hebben wij kritiek op rijkelijke zegeningen uitgedrukt in materialisme en niet op de verborgen zegeningen? Als wij de materiële zegeningen niet accepteren, accepteren wij de onderliggen de spirituele, G’ddelijke natuur van deze wereld niet. Voor zonde geldt dit weer precies andersom.
Toch dienen wij niet Hasjem te dienen om onszelf tot dienst te zijn en daardoor beter van te worden. Pirke Awot en de RaMBaM waarschuwen ons daar voor. Dat is misbruik maken van de beloning en straf constructie. De wil van de mens is dan namelijk in conflict met de Wil van Hasjem. Joden hebben buiten de benaming G’ds volk en geschapen zijn om Zijn Wil te doen geen andere identiteit. Je aan de 613 mitswot houden als een volk vormt eenheid met de Schepper.

Conflict tussen keuzevrijheid en afleggen van je eigen wil
Vrijheid van deze wereld is losbandigheid

Een bekende hedendaagse rabbijn

Ilah w’aloel en ratzo wesjoev zijn de kabbalistische begrippen voor Yin Yang. Dat geeft de conflicten van alle begrippen weer. Men heeft geen moeite met de tegenstelligheid op deze wereld en persoonlijke levens. Het is voor ons een vanzelfsprekendheid. Toch schijnt niet gelovigen onbegrip te hebben in de ilah w’aloel tussen vrijheid van keuze en het afleggen van je eigen wil. Het leven is een worsteling tussen de tegenstellingen. Maar wat is de eigenschap van deze worsteling?
We trachten een balans tussen de tegenstrijdigheden te vinden. Volgens RaMBaM (Hilchot De’ot) is het zoeken van de balans tussen tegenpolen de sleutel van het succes in het leven.
Een praktijkvoorbeeld is in de liefde. Een vrouw laat zich op handen dragen wanneer zij versierd wordt. Dit is het ene uiterste. Het andere uiterste dat op hetzelfde moment speelt is, is dat zij op haar hoede is zodat er geen misbruik van haar gemaakt wordt. Deze twee tegenstrijdigheden vallen op hetzelfde moment. Er is een verbale romantisch moment, maar er kan geen misbruik gemaakt worden van dat moment. De twee factoren zijn weer twee tegenpolen van de man, de tegenstelling van de vrouw. De vrouw laar zich op handen door de man dragen. De man geeft hierdoor positieve aandacht die zij graag consumeert. Ondertussen heeft zij de voelsprieten op zodat de man in zijn verliefdheid niet de vrouw gaat overheersen. Hij consumeert de non-verbale waarschuwing die de vrouw geeft. De balans is het allerbelangrijkste.

Een voorbeeld van een slechte balans: wanneer een kind op een te vroege leeftijd onafhankelijkheid verliest. Anderzijds moeten we uitkijken het kind niet verstikken met te veel bescherming. Ouders moeten niet te dominant zijn of een kind stront verwennen door alles maar toe te laten.
Deze zoektocht naar balans geldt in alle betrekkingen, situaties, begrippen, enz. Op de jesjive leert men dat een goede student iemand is met een goede basis, geen briljante intellect. Het moet iemand zijn die kan zitten en luisteren. Maar ondertussen moet de leerling zijn eigen leraar zijn. Ook hierin wordt een balans verlangt.
In onze persoonlijke levens brengt onze oneindige ambities ons tot zelfvernietiging, maar te weinig initiatief leidt tot luiheid.
Het Kabbalistische concept ratzo wesjoev uit zich als volgt. Enerzijds wilt de ziel zich losmaken van het lichaam waarin het gevangen zit en anderzijds weet de ziel wat zijn taak is door een lichaam leven te geven die op zijn beurt enerzijds heel materialistisch kan reageren en anderzijds weer te verlangen naar spiritualiteit. Wat was er eerder: de ziel of het lichaam? Zijn wij spirituele wezens met lichamen, of lichamelijke wezens met een ziel?

Betreffende de dualistische natuur van G’d, kun je lezen in de theorie van de Tsimtsoem.

De natuur is een deel van Hasjem, maar niet Zijn Totaliteit. Deze eenheid komt pas echt tot zijn recht in de komende messiaanse tijdperk, de Olam haba. De Tsimtsoem – dat nu het masker van Hasjem in de schepping vormt – zal weggenomen worden. Zoals Hasjem wenst en toestaat zal Hij Zijn eindige en oneindige krachten in de Messiaanse tijd zichtbaar in eenheid werken.
Nu ken de mens diep in zijn hart een onverzadigbare behoefte die wij proberen te vullen met materialisme en atheïstische zelfingenomen gedachtegoed. Maar in feite verlangt de mens naar de Masjiach. Een stukje voldoening kunnen we daarom ook alleen vinden in onze Torastudies. Deze Messiaanse verlangen van eenheid komt omdat we naar Zijn Evenbeeld zijn geschapen. Hasjem bezit deze dimensies, dus wij ook. Van Zijn kant vindt Zijn eindige en oneindige Eenheid op macrokosmische niveau plaats en die van ons op het microkosmische niveau: de man en vrouw vindt bij elkaar hun verloren helften. Alleen in het Messiaanse tijdperk zal er een eenheid zijn in alle tegenstellingen: keuzen en overgave, liefde en angst, Tora en mitswot, assertiviteit en passiviteit, man en vrouw, gever en ontwikkelaar, beloning en straf. Het Messiaanse tijdperk is de belofte van Hasjem dat deze tijd een harmonie zal zijn tussen Hem en Zijn Schepping. Er zal geen spanning meer zijn tussen de ENE onzichtbare G’d en Zijn eindige wereld, waarin nu de bewoners zo van Hem afhankelijk zijn en ondertussen zo tegen Zijn wil handelen. Dat zal ook niet meer voorkomen. De ziel streeft daarom ernaar om de ware dienst van Hasjem uit te voeren, daardoor vervullend de wil van Hasjem en hier creërend een Dirah BeTachtonim, een woonplaats voor G’ddelijk in deze wereld…

Dit allemaal in ogenschouw genomen verklaart de reden waarom RaMBaM zijn elfde en twaalfde principe van het Joodse geloof op elkaar laat volgen:

11. Beloning en straf
12. De Messiaanse verwachting
Hasjem sluit de ene niet uit van de ander. Zodra iemand realiseert de spanning en krachten dat op diverse bestaansniveaus werken – Hasjem, het universum, Schepping, Jodendom, sexen en in onszelf zal hij voor een oplossing en syntheses zoeken. Hij zoekt – middels Toralessen – naar de Messiaanse verlossing en epoch. Hij zal dan G’d als prioriteit erkennen.

Natuurlijk en bovennatuurlijk
Astrologen en tovenaars voorspellen zonder te begrijpen wat zij zien.

Sotah 12b

Wij maken – zij het kort – een sprong in het verleden en komen dan in Egypte uit waar het lijden van Israel als volk begon. Israëlische jongetjes werden in de Nijl gegooid en zuigelingen werden in plaats van stenen gebruikt voor de “architecturale gebouwen” die het volk onder dwang moesten bouwen. Met Tevje – de Hebreeuwse naam van Mosje – als instrument bevrijdde Hasjem het volk. In tegenstelling tot de Islam dat “onderwerping tot G’d” betekent en het Christendom dat “geloof over alles” predikt, betekent Israël “hij die met Hasjem worstelt”. Deze worsteling uit zich als volgt en let op de paradox dat eigenlijk een natuurwet is:
Een kind misdraagt zich en is door de ouders gewaarschuwd dat hij zich dient te gedragen. Ondanks de berisping begrijpen de ouders dat het kind zich zo nu en dan onmogelijk gedraagt en stiekem zijn zij blij dat het kind zich als een normaal kind gedraagt, want als een kind dag en nacht voor zich uit staart en hierdoor zich nooit onmogelijk gedraagt of als een kind zich perfect onderwerpt aan de ouders, dan is het tijd voor hulp. In dit voorbeeld zien wij dat zowel de ouders als het kind zich legitiem gedragen hebben. Zo is dat ook tussen Hasjem en de mensheid. Hij heeft regels opgesteld zoals Hij vindt dat het beste is voor de schepping. Ondanks wij het niet altijd begrijpen, dienen wij te luisteren. Hasjems zaken gaan ons niets aan dus ook niet hoe exact alles in elkaar zit wanneer het kwaad het goede treft! En waneer er iets is waarover wij geen controle hebben, zoals een vreselijke ziekte of een krachtige agressor zoals de nazi’s, dan moeten wij onze hoofden opheffen en de Eeuwige standvastig aanroepen voor een interventie en kracht in plaats van het opeisen van uitleg waarom of dat het sowieso in Zijn Plan zou passen. Wij moeten Hem aanroepen en Hem zeggen dat Hij Degene is Die ons leerde dat leven heilig is en dat we die boven alles op aarde moeten koesteren. Ook leert de Tora dat Hij de rechtvaardige het beste gunt en geen onheil. “Waar is die belofte? Kunt U een alternatief bieden om toch tot Uw Plan te komen? Wij geloven dat een of ander manier de pijn ons ten goede zal komen, omdat U Goed bent en de Enige Schepper. Zou U in Uw Almacht deze ellende willen beëindigen in een minder pijnlijke situatie?”
Ondertussen heeft niemand het recht te stellen dat de ellende een G’ddelijke berisping is. Dan zouden de 6.000.000 van ons volk, waarvan 1.500.000 kinderen, voor iets gestraft zijn terwijl wij hen geen eens gekend hebben. Hoe ziekelijk bevooroordeling is dit die wij uit sommige religieuze hoeken moeten aanhoren.

Middels Prike Avos leren wij niet te oordelen over andere mensen in situaties die wij niet kennen. We moeten niet stilzitten maar kleine partners van Hasjem in Zijn Schepping zijn door bijvoorbeeld medicijnen te studeren om ziekten te bestrijden of door het geven van tsadekka om zo de wereld te verbeteren of eenzamen te bezoeken om zo een klein lichtje in hun duistere bestaan te zijn. Hasjem corrigeert de tekortkomingen in de wereld en wij kunnen zijn kleine assistenten zijn. We moeteen met andere woorden ons niet bij de wereldse tekortkomingen neerleggen. We moeten ons niet bezighouden met de vraagstelling waarom er ellende is. We moeten er naar handelen en iets tegen doen. We moeten trachten het te voorkomen dat het kwade op nieuw het goede treft. In essentie, de definitie van kwaad is je in G’ddelijke aangelegenheden te mengen wat geen mens aangaat. Vandaar dat het off-limits om ons geheel te richten op de “waaroms” Hasjem bepaalde zaken toelaat of niet toelaat. We mogen, nee, we moeten het leven bij Hem claimen zoals Mosje en Avraham dit deden (Bereesjiet/Gen. 18:25; Sjmot/Ex. 5:22; 32: 10 en 32). We moeten ons richten op de komst van de Masjiach waardoor de wereld zo enorm van zal verbeteren en wie hem niet verwachten, niet halsreikend naar hem uitzien en meewerkt met Hasjem om tot dat punt te komen, wenst in feite geen betere wereld en accepteert hongersnoden, oorlogen, ziekten en geweld! Wij moeten niet onze interesses leggen in de mysteriën en esoterische redenen van het lijden, maar we dienen geïnteresseerd te zijn in het vernietigen van het lijden. Lijden en dood behoren niet tot het universele Plan van de Schepper.
Het is niet bewezen dat een religieus slachtoffer van ellende dieper gelooft dan een religieuze persoon die (nog) geen ellende heeft meegemaakt. Dit zegt niet dat lijden niet aan je karakter bouwt. Dat kan wel degelijk, maar anderzijds kan het iemand bitter en onzeker maken.

Theodicee
Een ieder die een kwaadheid heeft door toedoen van een ander
– kina –
Maar hij blijft stil…
Hij Die in de Hemel bevindt, zal voor gerechtigheid zorgen.

Talmoed Gittin 7a

Waarheid is wereldwijd en is toegewijd aan het geloof in een G’ddelijke toezicht betreffende alle aardse activiteiten. Waarheid houdt toezicht op beloning en straf ten aanzien van G’ds betrokkenheid in Zijn Schepping. Dit houdt tevens in dat de mens een prioriteit ten opzichte van de engelen hebben en de aarde ten opzichte van Gan Eden. Door hierin te geloven en te accepteren brengt de mens dichter tot Hasjem en ervaart hij zijn unieke plek in de Schepping.

Theodicee is een Grieks woord voor G’d en rechtspraak: theos [G’d] + dikè [rechtspraak]. Het is een argumentatie waarin de gelovige probeert het bestaan van een Almachtige Goede G’d verdedigen ondanks al het kwaad en lijden in de wereld. Ten aanzien van het kwaad wordt Hasjem verdedigd aangaande hoe het mogelijk zou zijn dat een goede G’d kwaad toestaat. Theodicee is een groot probleem voor monotheïstische religies – met name het Jodendom – die proclameren dat Hasjem Almachtig en Rechtvaardig is. Waarom wordt het Jodendom zo met theodicee geplaagd? Zuiver om het feit dat geen enkel ander volk over de gehele geschiedenis dusdanig is vervolgd zoals de Joden.

Baäl Sjem Tov – de grondlegger van het huidige Chassidisme – onderwees dat Hasjem alles in het universum in Zijn greep houdt. Van de grootste en belangrijkste zaken tot de kleinste en minst interessante dingen. Toen hij dit aan zijn leerlingen onderwees, stapte hij naar een klein blaadje dat van een boom was gevallen. Onder dat blaadje was een kleine worm: ‘Zie mijn studenten. Als het blaadje was gevallen met de onderkant naar boven, dan zou de worm gedood zijn’. Dit impliceert dat de manier van het vallen van het blad onder Hasjems toezicht is gebeurd.

Elie Wiesel vertelt over een kleine groep Joden die tijdens de overheersing van de Nazi’s samenkwamen om te bidden, draafde een doorgedraaide vrome Jood de kleine synagoge binnen. Even bleef hij stil en luisterde en zei toen langzaam: ‘Sjjjtttt… Joden! Bidt toch niet zo luid. G’d hoort je wel. Dan zal Hij namelijk weten dat er nog Joden in Europa leven’

Het verhaal geeft het volgende aan:

De niet-Joodse theodicee dat Hasjem kwaadaardig is geworden
De fundamentalistische Joodse theodicee van een G’d dat Israël straft voor al haar overtredingen.
Kunnen wij accepteren dat Hasjem Almachtig is en Hij de grote Motor achter alles en iedereen en dus ook de grote Motor achter alle gebeurtenissen in de wereld is? Klopt het dat Hij goed en eerlijk is zodat de rechtvaardigen worden beloond en de slechten gestraft?

Bij deze een lijst van Joodse theodicees door Dawid Birnbaum uit God and Evil: A Unified Theodicy:

De eindige mens kan de oneindigheid van Hasjem en daarvoor ook zijn wegen niet doorgronden. De mens moet blindelings vertrouwen in Hasjems Rechtsgang hebben.
De mens wordt voor zijn falen en zonden gestraft. Hierin wordt de verticale verantwoordelijk gesteld voor de zonden van de voorouders. De mens wordt in deze wereld gestaft waardoor hij zijn beloningen in Olam haba kan verdienen. Een of ander manier is lijden naar aanleiding van straffen doordat men een of ander manier gezondigd heeft.
Hester paniem: verborgenheid van het G’ddelijk Gelaat. Een tijdelijke verbanning van de wereld, een afwezigheid van Hasjems actieve surveillance. Dit wordt vaak niet onder theodicee geschaard, ware het niet dit toch als een antwoord gezien wordt op bepaalde catastrofale aaneenschakeling van gebeurtenissen.
Wanneer de engel van destructie toestemming krijgt, maakt hij geen onderscheid tussen de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen. Hier valt ook het lijden van een tsaddiek onder die voor meerdere mensen lijdt, waardoor de rechtvaardigen hun beloning in de Olam haba ontvangen. Er zijn beloningen in deze wereld en er zijn beloningen in de Olam haba. De tsaddiek wordt voorafgaand binnen verzameld voor de verschijning van het grote kwaad. Onder deze vorm van theodicee valt ook de traditionele antwoorden met betrekking tot beloningen voor de mens in het algemeen. Met andere woorden: de mens ontvangt in het Olam haba beloning om het lijden in dit leven te compenseren. Het lijden hier is als het ware het reinigen van zijn ziel voor het Olam haba. Zonden zijn door het lijden vergeven. Het individu is gestraft – samen met de rest van de gemeenschap voor de gemeenschappelijke zonde – dat onder de horizontale verantwoordelijkheid valt. Deze theodicee – jissoerin sjel ahavah – hangt aan turbulentie van de liefde, om de mens te reinigen, om de mens op hoger staat van niveau te plaatsen. Om de mens te testen door het lijden heen dat bevrijding geeft waardoor de mens in Olam haba wordt beloond. Dit proces kost tijd en de mens blijft altijd verantwoordelijk voor zonden en lijden en niet Hasjem. Lijden is een kastijding om de mens voor de zonde te waarschuwen.
Vrijheid van de mens moet gewaarborgd blijven, zelfs ten koste van het lijden. Lijden duwt je omver om vervolgens weerstand te bieden tegen onderdrukking.
Kabbalistische reactie in de Tsimtsoem.
Geen antwoord op hebben. Men verwacht het antwoord in de Messiaanse tijd.
Algemeen gesproken is het in het orthodox Jodendom het volgende aan de hand van Tehilliem 89:9 (Hasjem, G’d der heirscharen, wie is als gij, met stérkte van de Hasjem en mét uw tróuw u omríngend!) theodicee geaccepteerd: Abba Hanan vervolgt op Tehiliem 89:9: Wie is als U, Almachtig in zelfbeheersing? U hoorde de G’dslastering en de beledigingen van de boosdoener (Titus) maar U hield Zich stil! In de school van rabbi Ishmael hanteerde men Sjmot 15:11 Mie-chamochah ba’elim Hasjem? Wíe is als gij bij de godheden, Ene! Wie is als gij?- verheerlijkt in het heiligdom, gevreesd in lofzangen,- die het wonder dóet! Waarop hij erbij zette: ‘Wie is als U, oh Heer, tussen de illemiem (verstomden). We mogen overwegen vers 47 erbij te denken: Tot wanneer, Hasjem?- verbérgt u u voor ímmer?- blijft uw gramschap bránden áls een vúur? Men kan erbij denken dat Hasjem te wille van de geschiedenis van de menselijke vrijheid de “arena” verlaat. Mensen zijn hier door zelf verantwoordelijk wie goed doet of kwaad boven het goede verkiest. De mens is verantwoordelijk en Hasjem. Nu Hasjem Zich verborgen heeft hoe kunnen wij van Zijn bestaan getuigen? Hasjem onthult Zijn aanwezigheid door de overleving van Israel. Niet Zijn daden, maar Zijn kinderen. Er is geen ander getuige dat Hasjem aanwezig is in de geschiedenis dan de geschiedenis van de Joden. De Nazi’s trachtten de enige getuige van Hasjems bestaan de mond te snoeren. In plaats dat dit lukte, stond Medinat Jisrael op, vlak na de Nazistische overheersing. Het wonder dat Hasjem bestaat is dat de Joodse mensen van Israël bestaat.

Tot slot kennen we ook Hasjems terugtrekking in de zevende Hemel zodat de menselijke aangelegenheden ook hier verblijft.

Het belang van G’d in de natuur
Alles wat de Heilige,
Die geprezen is,
In Zijn wereld heeft geschapen heeft Hij slechts voor Zijn glorie geschapen,
Want er is gezegd:
“Al wat naar Mijn Naam genoemd wordt en wat Ik voor Mijn glorie geschapen heb,
Heb Ik gevormd,
Ook heb Ik het gemaakt”

Misjneh Pirke Avos 6:11

Zo zult gij heden weten, en in uw hart hervatten, dat de HEERE die G’d is, boven in den hemel, en onder op de aarde, niemand meer!; אֵין, עוֹד : ejn ‘od: lett.: niets meer Dwariem/Deut. 4:39. Wat betekent eigenlijk “in het begin” en wat houdt in dat er Niemand naast Hasjem is, terwijl er sprake is van miljoenen soorten van creaties dat blijkbaar vóór het begin niet bestonden?
In den beginnen schiep Hasjem de Hemel en de aarde: bereesjiet bara Elokiem haarets wesjamajiem. In het begin gaf Hasjem aan non-existente bestaan. Dit lijkt een simpel feit, maar als je het goed tot je door laat dringen, kom je tot de conclusie dat dit een niet te bevatten situatie is dat onmogelijk in woorden is te vangen. Immers: G’d gaf bestaan aan non-existente. Dit is niet te begrijpen: “niet” betekent dat Hasjem alleen bestaat en verder niets. Zodra Hij Zijn handen van “bestaan” aftrekt, bestaat het niet meer. Hasjem begon met niets en moet constant de wereld draaiende houden omdat het onmogelijk voor “niets” is om “iets” te worden. Het moet constant en altijd onderhouden worden. Onze rabbijnen zeggen dat ieder seconde de wereld, jij, ik herschapen worden en dit al door alle eeuwen door. Een van onze rabbijnen leerde ons het volgende voorbeeld die je als een gelijkenis kunt opvatten. Je kunt dat constante scheppen, onderhouden van Hasjem ten aanzien van de Schepping vergelijken met jouw eigen gedachte. In jouw gedachte kun je een station creëren. Het is vol van mensen. Deze mensen en het station bestaan nu in jouw gedachten. Diverse situaties spelen op het perron af. Opeens gaat de telefoon. Jouw gedachten zijn niet meer op het station met het parron vol mensen met allerlei situaties. Zij bestaan niet meer…

Dit in ogenschouw nemend moeten wij concluderen dat het een misvatting is dat Hasjem het universum creëerde en dat het nu op “eigen benen” staat en zichzelf in leven houdt door verder door te evalueren. Dit is de grote misvatting aangaande de Schepping. Daarom is het een grote misvatting met betrekking tot de waarheid van het bestaan. G’d is de Enige Realiteit, níet het universum. Waarom niet? Omdat het niet op zichzelf staat. En daarom wordt erin het Orthodox Jodendom het concept de film van de Matrix niet afgewezen: in tegendeel. “Niets” nemen en daarvan “iets” maken betekent dat het “iets” dat gecreerd is eigenlijk “niets” blijft. Een houten tafel blijft hout. Hout is niets. Tafel is iets. Dat iets van dat niets blijft enkel en alleen bestaan dankzij een externe bron: Ejn Sof, de oneindigheid van Hasjem. We kunnnen geen enkel voorstelling maken wat “niets” is.

In het beginne schiep G’d…bereesjiet bara Elokiem. Bara betekent “brengen in het zijn” (bestaan). Bara is uitsluitend een G’ddelijke activiteit dat slaat op jesj me’ajin: iets uit het niets voortbrengen. RaMBaN zei: ‘er bestaat geen uitdrukking in het Hebreeuws voor iets uit het niets voortbrengen dan ‘bara’. Nergens in de Tora staat dat een mens iets voorbrengt uit het niets: ha-adam bara…. Bara betekent namelijk niet “leven geven”, “vorm geven” of “formeren”. Dit betekent dat het moment voor scheppen het simpelweg niet was, het had geen enkel bestaan. Door “bereesjiet bara Elokiem hasjamajiem we ha-arets’ te verklaren, geeft de Tora aan dat een op ander manier wat niet bestaat begon te bestaan”(Commentaar RaMBaN op Bereesjiet 1:1)
Invloed van Hasjem in ons bestaan, Hij Die de Enige Realiteit is, is als iemand die een steen in de lucht gooit. Kan de steen in eens vliegen? Nee. Hoe komt de steen in de lucht? Door invloed van degene die de steen omhoog gooit. Zodra die invloed weg is, komt de steen niet meer omhoog. Het is dus de energie van degene die de steen omhoog doet gaan! En het verbruik van dat energie doet de steen weer vallen. We gaan door redeneren. Diezelfde steen wordt de lucht in geslingerd en schiet dwars door je ruit heen. Op wie wordt je boos? Op de steen zelf of op degene die de steen heeft geworpen?

Kunnen wij het universum bestempelen als een eigen identiteit dat op zichzelf staat? Kunnen wij zeggen dat het universum dat uit het niets is ontstaan nu een onafhankelijk bestaan heeft en nu iets is? De schepping dat ooit niets was, is niet uit zichzelf iets geworden. Het bestaat door G’ds consistente oneindige scheppingskracht die er voor zorgt dat alles “iets” blijft. Hier in vinden wij het verband tussen Bereesjiet 1:1 en Dewariem 4:39 en gelijktijdig de Eenheid van G’d. Hij is het primaire Bestaan. En al het andere is geen eens secundair. Het bestaat niet, het wordt bestaan. Zoals de steen. De steen vliegt niet zelf door de lucht, de steen wordt door de lucht geworpen door menselijk ingrijpen.
Dat wij hier en nu zitten, doen en laten, is geen bewijs van ons bestaan. Het bewijs is dat wij “bestaan worden”. Het verschil tussen bestaan en iets wordt bestaan is dat het laatste vernietigd kan worden. Wij kunnen niets vernietigen. Ook als we het verbranden, het as over het water strooien en het water met een intensieve inferno verdampt het as. Wat doe je met water dat verdampt, wolken die dan ontstaan en vervolgens regen op aarde laat vallen? Met andere woorden: als Hasjem de wereld zou willen vernietigen, dan zal dat niet met een brand gepaard gaan. Hij zal simpelweg stoppen met scheppen. Hij hoeft daar geen enkel vorm van geweld voor te gebruiken. Iets zal weer niets zijn. Als G’d de wereld zou verlaten, zal dat geen straf zijn in die zin: er valt niets te straffen. Als G’d zou stoppen met scheppen, dat zou de toestand van vóór de Schepping aanvangen: NIETS.

De natuurlijke gewoonte
Hoor, de Eeuwige is over het water,
De goddelijke Majesteit laat de donder rollen,
De Eeuwige,
over wijde watervlakten.

Tehilliem/Ps. 29

Het verschil tussen “bestaan” en “worden bestaan” zit in de concepten:

Giloei hahelem (ontsluieren van wat geboren is)
Brijah jesj me‘ajin (iets van niets creëren)
Voorbeeld:

Een zilveren klomp zonder vorm wordt gevormd tot een mooie kiddoesjbeker. De verborgen potentie van het zilver is het vormen naar een bepaalde vorm.
Het zilver is uit niets tot zilver gecreëerd. Het is iets creëren vanuit niets.
De reden waarom Hasjem Zich niet meer zo vaak in de wereldse aangelegenheden betrekt en mensen een beetje hun gang laten gaan met het zondigen, is omdat Hasjem de wereld volgens de natuurlijke wetten zoveel mogelijk wilt laten begaan: olam ke minhago noheg. De wereld gedraagt zich volgens zijn gewoonte (natuur). Minhag betekent letterlijk gewoonte. Dit geeft aan dat de natuurwetten geen wetten zijn, maar gewoonten van de natuur. Een steen dat in het water zinkt, water dat naar beneden stroomt, vuur dat opstijgt, enz. zijn natuurlijke gewoonten en geen wet. “Natuur” vanuit Joodse perspectief betekent minhag, gewoonte. Dit refereert naar onze eigen gewoonte. Alles wat wij als normaliter beschouwen, bestempelen wij als “natuurlijk”. Zaken die niet onder onze gewoonten en dus niet “natuurlijk” vallen, noemen wij wonderen of interventie van Hasjem in de natuur. Maar de werkelijkheid is dat de natuurlijke gang van zaken als wonderen even onecht en irrationeel zijn. Geen van twee heeft een reden of uitleg waarom het zo is. Immers, het fenomeen van een boom dat uit een enkel zaadje groeit is even wonderlijk als het splijten van de Rietzee. Maar omdat het groeien van een boom uit een enkele zaad veel voorkomt, noemen wij dat “natuurlijk”. Het is een patroon dat zich herhaalt.

Toch kent de Tora voor de natuurlijke gewoonte – zoals je wilt: natuurwetten – een begrip: hoekej hateva. Hoekej betekent geen wetten, maar een bepaalt soort wet. De Tora kent twee soorten wetten:

Misjpatiem: wetten die logisch te redeneren zijn
Choekiem: wetten die niet logisch te redeneren zijn
Hoekej hateva is dus een irrationele vorm van een wet. Natuurwetten zijn niet te verklaren. Natuurwetten zijn enkel en alleen fenomenen die door observatie enkel in hun patroon gekend kunnen worden, maar niet inhoudelijk.

Wanneer “natuurlijk” een wonder wordt
Voor G’d is twee mensen bij elkaar brengen
even moeilijk
als het splijten van de Rietzee.

Sotah 2a

Een wonder is wanneer een patroon in de natuur onderbroken wordt. Hasjem zegt dat olie moet kunnen branden. Zijn Wil maakt olie brandbaar. Dat is meetal zo, dus is er sprake van een patroon en dus is het een natuurwet.
Wanneer Hasjem zegt dat azijn brandbaar moet zijn, wordt een patroon en dus een natuurwet onderbroken en is er dus sprake van een wonder. Op de keper beschouwd worden zowel olie als wijn gecreëerd en in stand gehouden. Iets “natuurlijks” en Bamidbar/Num. 15:37-41 liggen daarom heel dicht bij elkaar. Afgoderij begint niet bij een beeld maken en dan zijn voeten kussen. Afgoderij begint met het ontkennen van Dewariem 4:39 en erkenning dat zaken buiten Hasjems gezag bestaat. Afgoderij begint bij het resultaat dat wij “natuur” noemen. En hier komt het met betrekking tot Bamidbar: natuurlijk betekent de gewoonte van zaken die wij zien: je ogen volgen.
Een wonder is, is wanneer Hasjem het natuurlijke proces “onderbreekt”. Het natuurproces wordt iedere seconde van de tijd door Hem in stand gehouden waarvan wij door bestudering op zekere hoogte het proces begrijpen. Bij een wonder wordt het proces door een ánder proces onderbroken. Met andere woorden: een wonder is niet alleen een G’ddelijk ingrijpen. Alles is een G’ddelijk ingrijpen! Zodra iedere dag de Rietzee om drie uur in de middag zou splijten, is dát in onze ogen geen wonder meer. We “kennen” het proces. Wat een wonder toen de eerste vliegtuig vloog, wat normaal dat wij twee keer per jaar het vliegtuig pakken om naar Israël te gaan.
Zodra natuur als wonder voorspelbaar gaat worden in de ogen van de mens, wordt een wonder natuurlijk.

We spraken over afgoderij. In het Jodendom is alles afgoderij wanneer iets buiten Hasjem bestaat, ook al is het door G’d geschapen. Dit is de regelrechte ontkenning van Dewariem 4:39. De proclamatie van Hasjem “Ani Hasjem”; “Ik ben G’d, Ik ben niet veranderd’ wijst uit dat alles door Hem bestaat. Is Hij er niet, dan zijn wij er niet. Als toch – ondanks Hij het geschapen zou hennen – een bestaan naast Hem zou zijn, zou dit betekenen dat als G’d zou ophouden met bestaan, het wel op eigen kracht kan bestaan. Een onmogelijkheid!
Daarom is atheïsme pure afgoderij. Daar wordt beweerd dat de wereld zonder G’d voort bestaat. Daarnaast: wanneer je op Sjabbat naar het strand gaat, is het niet meer alleen Sjabbat, maar Sjabbat én naast de Sjabbat de strand. Gezien het feit dat wij het gebod hebben mogen ontvangen dat de Sjabbes (alleen) op de 7e dag geheiligd moet worden en dat de wereld een deel van G’d is, is het enige ding op aarde is vandaag Sjabbat en niet Sjabbat EN strand. Dus Sjabbatontheiliging is iets náást Hasjem plaatsen. Nogmaals, de zevende dag is op deze wereld niets anders dan Sjabbat. En de wereld is onderdeel van Hasjem. Iets naast Sjabbat plaatsen is iets naast Hasjem plaatsen en dat is afgoderij.

Als niets buiten Hasjem om bestaat… hoe zit het met het kwaad?

Lijden en straf
Een mens moet zichzelf en de wereld zien als
de twee kanten van een weegschaal in evenwicht;
Reeds door het verrichten van één goede daad
doet hij de balans doorslaan, en brengt hij zichzelf en
de hele wereld redding en verlossing.

RaMBaM, Wetten van Berouw 3:4

Een of ander manier lijkt in de maatschappij te zijn verweven dat lijden in het algemeen in een adem met straf van G’d opgenoemd wordt. Hiermee maken mensen van Hasjem een sadist. Toch kent het Jodendom wel gevolgen van zonden. Die gevolgen kúnnen lijden betekenen. Als de 13 Joodse geloofsprincipes claimt dat aan iedere mitswe en beloning kleeft, dan kleeft er aan iedere zonde een straf. Dit is een universeel gegeven. Als je steelt is het gevolg dat je vroeg of laat betrapt wordt. En de uitdrukking ‘wie goed doet, goed ontmoet’, komt ook niet uit de lucht vallen.

‘Waarom hij, zij, ik’… Naar aanleiding van een tragisch voorval wordt zowel door gelovigen als atheïsten dit geroepen. Ondanks de achtergronden is dit een religieuze vraagstelling. Iedereen weet – de cardioloog heeft het immers medisch verklaard – waarom juist die persoon een dodelijk hartaanval kreeg. Als de persoon nu een vreselijke crimineel zou zijn, heeft niemand het hart dit af te vragen, maar wel wanneer het om een goed mens zou gaan. Als een atheïst zich dit soort zaken afvraagt, voelt hij instinctief aan dat er tóch een hogere Macht aan het roer van het universum staat die schijnbaar macht heeft over leven en dood. Moreel gezien vinden wij het onjuist dat alle slechte mensen dikwijls succesvol zijn. Wij verlangen dat een slecht mens gestraft wordt, zoals een schoolkind verlangt dat zijn klasgenootje betrapt wordt als hij door middel van spieken telkens de mooiste cijfers haalt. Het besef in beloning en straf ligt niet alleen in de harten, gedachten, psyche van Joden en andere religieuzen. Het is een gegeven dat dit in álle mensen verankerd ligt.

Vanuit de relativiteitstheorie van Einstein kunnen we aantonen dat kwaad of slecht subjectief is. Als je op aarde staat en je kijkt naar de maan, dan lijkt het als of jij en jouw wereld stil staat en de maan om je heen beweegt. Als je op de maan staat en je kijkt naar de aarde, dan lijkt het als of jij en jouw maan stil staat en de aarde om je heen beweegt.

Wat is nu de waarheid?

Er bestaat absoluut geen methode die de waarneming als zekerheid vaststelt. Alles hangt van iemand benadering af. Zo is dit ook me goed en kwaad. Vanuit ons aardse bestaan is het kwaad wanneer een goede persoon op jonge leeftijd komt te overlijden. Maar is dit realiteit? Is het niet slecht vanuit onze realiteit? Zoals de tierende zakenman die compleet doorsloeg toen zijn gewenste vliegtuig volgeboekt was en dat dit het slechtste was wat hem is overkomen. Hij vervloekte de dag dat hij geboren was. Vijftien minuten later kwam hij op zijn relaas terug en kwam tot de ontdekking dat het slechtste wat hem overkomen is, het beste is geweest wat hem is overkomen, want United Airlines DC10 stortte neer doordat een van de vier motoren uitviel. Voor de elf september ramp was deze vliegramp het ergste vliegramp dat in de VS geboekt stond.
We zien hier dat er altijd sprake is van gelijkwaardige mogelijkheden wat goed en slecht is. G’ds perspectief is voor ons verborgen, maar het bestaat wel. Zie het als een ouder-kind relatie. Discipline is ten goede van het kind. Maar vanuit het kinderlijk perspectief ben je als ouder een monster.

Om te kunnen beoordelen wat goed en wat slecht is hebben we negen van de tien keer meer informatie nodig om daar een oordeel over te vellen. Voorbeeld. De Baal Sjem Tov kreeg een kinderloos echtpaar bij zich die vroeg hem om hen te zegenen voor het krijgen van een kind. Eerste instantie weigerde hij maar zij wilden niet weggegaan tot dat de Baal Sjem Tov heb zou zegenen. Door hun vastberadenheid liet hij zich overtuigen en hij zegende hen.
Jaar later kregen zij een kind. Helaas overleed het jochie na twee jaar. Weer gingen zij naar de BSjT: ‘wat hebben wij toch fout gedaan? Wat had het überhaupt voor zijn om op die manier een kindje te ontvangen?’ De BSjT vertelde het volgende:

Ongeveer honderd jaar geleden [dat moet in de 17e eeuw geweest zijn], toen de pogroms onder Chmelnitski op kwamen en zijn kozakken Joden vervolgden en tot 1000 Joden uitmoordden, kwam in een van de noodlottige dorpjes een Kozak een Joodse baby tegen en omdat hij zelf geen kinderen had, nam hij het ventje mee naar huis. Toen de Poolse overheid de rebellie eindelijk in bedwang hadden, kregen zij te horen over die Kozak die dat Joodse babytje opvoedde. De overheid gaf het kindje terug aan de Joodse gemeenschap, terwijl het kind door de pogroms een wees was geworden. Hij groeide op tot een vrome Jood.
Toen, zo vervolgde de BSjT, ging hij dood en zijn ziel stond voor het Hemels gerecht en ondanks hij onschuldig werd geacht, zat een kleine blaam op zijn ziel: de twee jaar dat hij onder de kozakken heeft geleefd. Met het oog om de ziel geheel perfect te krijgen, heeft de Hemel besloten dat de ziel nog een keer in een liefdevol Joods gezinnetje geboren moest worden en in een heilige omgeving herleven voor die twee jaar. ‘Toen kwamen jullie jaren geleden bij mij om voor een zegen te vragen. Ik weigerde in de eerste instantie, omdat ik wist dat dit kind bij jullie geboren zou worden en ik wilde niet verantwoordelijk zijn voor jullie gerief. Maar toen jullie mij geen keuze gaven,was ik overtuigd. Op de vraag wat jullie fout hebben gedaan, is het antwoord “helemaal niets”. Er is niets slechts met jullie baby gebeurd noch met jullie. Dit was een deel van G’ds Plan om een verheven speciale ziel schoon te maken van de turbulentie die het had ondergaan.’

Hier leren wij gelijk dat wij voorzichtig moeten zijn situaties te labelen. Grief hoeft niet slecht te zijn. Het is naar aanleiding van een pijnlijke ervaring. Een pijnlijke ervaring hoeft niet per definitie slecht te zijn. De chassidische gedachte over kwaad leert dat het kwaad heel subtiel woorden verdraait bij mensen die de bomen het bos niet meer zien. Het is als een contract. De kleine lettertjes moeten – net als situaties – goed bestudeerd worden. We moeten goed uitkijken wanneer bepaalde gedachten in ons opkomen wanneer het om goed en om kwaad gaat. Een mooi voorbeeld is de oudste verwarring in de menselijke geschiedenis. Het kwaad – in de gedaante van de slang – zei volgens het commentaar niet direct: ‘eet van de boom van Kennis van Goed en Kwaad’. Nee, de slang was erg sluw: ‘ … goed fruit…. Is dit geen goede boom?’ Hij benadrukt de goedheid van de vruchten van de boom. Bestaan er dan goede en kwade vruchten? Goede en kwade bomen? Bomen groeien of blijven klein, zijn gezond of ziek, brengen zoete of zure vruchten voort. Bestaan dan slechte bomen die roddelen?
Dat Chava voor de gek gehouden kon worden is het begon van haar zonde waarvan wij tot op heden vruchten van plukken.

De termen goed, slecht en kwaad kan alleen gebruikt worden in morele kwesties. Goed betekent dat iets moreel goed is. Slecht betekent dat iets moreel slecht is. Het is verbazend dat wij een diversiteit van menselijke emoties onder liefde kunnen scharen of tot liefde kunnen toeschrijven. Alles wat niet plezierig is, is daarom per definitie slecht. We spreken over een slechte film, slecht boek, etc. In dagelijkse gang van zaken is goed louter wat wij fijn vinden en slecht wat wij onprettig ervaren.
Een man won 5.000.000 dollar en bestempelde dat moment als de beste dag van zijn leven. Een jaar later overleed een van zijn zoons aan een overdosis drugs dat gefinancierd werd door het geld van de loterij. De man bestempelde vanaf dat moment het winnen van de loterij als iets verschrikkelijks.

De vraag waarom slechte dingen goede mensen moet treffen zou herwogen moeten worden. Iedereen overkomt in zijn leven verdrietige dingen.
Denk aan Broeriah die haar man rabbi Meir moest vertellen dat een van hun zonen is gestorven.
‘Als een bezoeker gisteren zijn bagage hier achterlaat en de volgende dag zijn spullen terugvraagt, moet ik het dan teruggeven?’
‘Wat is dat nou voor een vraag? Natuurlijk moet je dat teruggeven.’
‘G’d gaf ons kinderen en gisteren claimde Hij een terug. Kan jij weigeren? Is hier sprake van een immorele of slechte situatie?’
Rabbi Meïr accepteerde de situatie: ‘De Eeuwige gaf en de Eeuwige nam. Mag Zijn Naam voor altijd geprezen zijn.’

De Rebbe leert ons dat wij moeten rouwen om onze geliefden wanneer zij komen te sterven. Hij leert ons daarnaast óók dat wij moeten beseffen wat de aard van de dood is. Als we die begrijpen, dan zullen we beseffen dat de dierbare ziel nu een verhevenere plaats heeft bereikt en dat zij verder zal opstijgen. Ondertussen moeten Hasjem vragen dat de dag snel aan mag breken waar de dood geen onderdeel van ons leven meer kan zijn. Jesjajahoe 25:8 leert ons dat Hij de dood voor eeuwig zal vernietigen en dat Hij onze tranen zal drogen.

Straf of discipline
Het kwaad is niet meer dan de afwezigheid van het goede;
Het heeft uit zichzelf geen werkelijk bestaan, en wordt door
Het licht van goedheid verjaagd

De Rebbe

Het is onjoods te denken dat je aan de 613 mitswot moet houden zodat Hasjem je dan redt, zodat je gezond blijft, zodat je nooit geldzorgen hebt. Volgens het Jodendom is dit pure (zelf)afgoderij: Hasjem voor eigenbelang dienen. Het is als het ware met Hasjem op een akkoordje gooien.
Vrees voor de Hemelen jirat sjamamjiem is vrees voor Hasjem om afgesneden te worden van Zijn volk. Vandaar dat de misjna spreekt van: ‘en de jirat sjamajiem over je heen [laten] komen, zodat je G’ds wegen bewandelt omdat je zo van G’d houdt dat je nimmer nooit van Hem gescheiden wilt worden. Zonde legt een barrière op dat de mens van G’d scheidt.

Een chassidische parallel:
Een kind rent zonder schoenen over straat. Vader waarschuwt hem voor een splinter, maar de jongen luistert niet. Op een gegeven moment loopt hij in een splinter en zijn voet gaat enorm zweren. Het is zelfs zo erg geworden dat het kind in levensgevaar verkeert en het risico loopt dat zijn been geamputeerd moet worden. Gelukkig kunnen de doktoren het kind en zijn been redden, alleen de behandeling is enorm pijnlijk.
Na een paar weken rent het kind weer zonder schoenen over straat. Vader waarschuwt hem voor splinters. Maar het kind is niet onder de indruk. Dan waarschuwt vader hem voor de enorme infectie. Ook dat baadt hem niet. Tot slot waarschuwt vader hem voor de behandeling die de doktoren hem gaven om hem te redden en te genezen. Dat sloeg aan en het kind trok zijn schoenen aan.
Met andere woorden: wij zijn niet bang voor de gevolgen van de zonde. Wij zijn bang voor het genezingsproces – het louteren – van de zonde.
Hasjem straft niet voor de zonde, Hasjem komt bij je langs, breidt je aantasting van je heilige element recht en dat doet zeer. Maar dan ben je van je zonde genezen. De wereld spreekt van straffen van zonden, het Jodendom spreekt van schoonwassen van zonden. Een kind schoon schrobben van modder en vuil kan door het hete water en de borstel behoorlijk pijn doen. Sjlomo hamalech zegt dat degene die zijn kind niet tucht, zijn kind haat.

Toen Hasjem de wereld schiep, gaf Hij ons een handleiding hoe je hier moet leven. Als je die negeert, dan hebben we soms momenten nodig om te genezen. Als jij je laptop aansluit op een netwerk in de VS zonder de aanwijzingen te lezen, is de kans groot dat je laptop stuk gaat. Je zegt dan met spijt: ‘had ik maar de handleiding gelezen.’
Wanneer wij in de Tora over een zonde lezen die bestraft moet worden met de dood, hebben wij de neiging deze zonde zwaarder te doen laten wegen dan zonde waar de Tora geen specifieke straf aan verbindt.
Andersom is het geval. Wanneer de Tora een specifieke strafmaat op een zonde legt, betekent dit dat deze zonde recht getrokken kan worden. Voorbeeld: sommige mensen vasten op Jom Kippoer puur omdat je anders van het volk afgesneden (kareet) afgesneden wordt. Wij plegen geen overspel omdat daar doodstraffen op staat. Maar trouwen met een goj – ach daar staat geen straf op deze zonde. Waarom zou je het dan laten, niet dan? De reden dat daar geen strafmaat op gelegd is, is niet om het feit dat trouwen met een goj minder zware zonde zou zijn dan bijvoorbeeld het verzuimen van vasten op Jom Kippoer. Trouwen met en goj is zo ernstig, dat de Tora hiervoor geen genezing voorschrijft. Dit komt omdat de kinderen meestal geen Joodse opvoeding krijgen. Het Jodendom spreekt overigens niet – G’d verhoedde – dat degene die met een goj trouwt buitengesloten wordt van zijn volk! Het Jodendom gaat er van uit dat de Jood dit uit onwetendheid deze stap gedaan heeft. Het is meestal geen rebellie, maar ze hebben vaak geen gelegenheid gehad kennis te maken met G’d en de Joodse tradities. In huidig Jodendom mogen deze mensen in geen geval slecht behandeld worden!

De Tora is constant bezig wegen te vinden om onze misstappen te corrigeren (niet te bestraffen). G’d wijst ons erop tesjoeva te doen. De Tora is geen ‘doe-het-direct-goed’-methode of een ‘alles-of-niets’-doctrine. Integendeel. De Tora is een handreiking om ons te corrigeren en opnieuw te beginnen.

Het verlaten van deze wereld
De ziel sterft nooit

De Rebbe

Dood is een daad van barmhartigheid. Avraham werd “slechts” 175 jaar, terwijl Jitschak “wel” 180 werd. Waarom nam Hasjem Avrahams leven ten opzichte van Jitschak vijf jaar eerder? Bereesjiet/Gen. 15:15 geeft het antwoord: en jij zult bij je vaderen aankomen in vrede; je zult worden begraven in goede grijsheid. RaSji legt uit dat Hasjem wilde voorkomen dat Avraham de afvalligheid van Esaw zou aanschouwen nadat hij bijna zijn hele leven gewijd heeft om het monotheïsme van de grond te brengen. Esaw zien afvallen zou voor Avraham enorm pijnlijk zijn geweest.

Choni de cirkeldraaier – Choni Hameaggel – bad om dood te gaan nadat met in de Beejt Midrasj niet geloofde dat hijzelf degene was waarover de studenten op dat moment spraken: ‘de wet is voor ons zó duidelijk, zoals in de dagen van Honi de cirkeldraaier, toen hij naar de Beejt Midrasj kwam om de studenten te helpen.’
‘Hier ben ik’, zei hij na 70 jaar geslapen te hebben en zij hem niet geloofden. Dit deed hem zoveel pijn dat hij om zijn dood bad en G’d verhoorde hem [Choni stond bekend dat al zijn gebeden verhoord werden].
Waarom sliep hij 70 jaar? Hij ontmoette een man die een plant plantte dat 70 jaar over zou doen om vrucht te dragen. Honi vroeg wat voor zin dit had omdat de man dan al dood zou zijn. Hij zei: ‘het is voor mijn kleinkinderen’, want zijn voorvaderen deden hetzelfde waarvan hij van de vruchten mag genieten. Honi wilde hier een nacht over slapen. Die nacht duurde 70 jaar. Hij werd wakker en de kleinzoon van de man plukte de vruchten. Rabbi Jochanan legt ons uit hoe rechtvaardig Honi was omdat hij zijn hele leven zich druk maakte over de betekenis van Tehilliem 126: Als de Eeuwige terugbrengt, die naar Tsion terugkeren is het alsof wij dromen.

In hetzelfde hoedanigheid wees de Rebbe naar de verdediging van Mosje toen Hasjem de Joden wilde vernietiging: De Eeuwige zei tegen Mosjé: “Hoe lang zal dit volk Mij met minachting behandelen en hoe lang zulle zij niet in Mij geloven bij alle wonderen die Ik in hun midden heb verricht? Ik zal ze treffen met de pest en hen verdelgen en jou zal Ik tot een groter en machtiger volk dan dit maken”. (Bamidbar/Num. 14:11-12).
De Tora spreekt in vers 16 over wajisj hatem, geslacht worden: “Omdat de Eeuwige niet bij machte is dit volk te brengen naar het land dat Hij hen onder ede beloofd heeft, heeft Hij ze in de woestijn afgeslacht”. Deze term wordt gebruikt ten aan zien van een diet. Vervolgens zegt Mosje in vers 18 of Hasjem het hen vergeeft: “Eeuwige, lankmoedig, vol van liefde, die overtreding en misdaad vergeeft maar niet geheel en al ongestraft laar en de overtreding der ouders bij die van de kinderen gedenkt tot in het derde en vierde geslacht” – maar de misdaad mocht niet ongestraft gelaten worden en deze moet herdacht worden tot in het 3e en 4e geslacht. Mosje wist hiermee dat de Joden tot een punt waren gekomen dat zij realiseren dat hun daden gevolgen – in dit geval het lijden – heeft en tot Hasjem keren en door het lijden dat het verlaten van deze wereld een zegen is. Men wilt dan van hun zonden schoongewassen worden. Dit inzicht wordt door vers 16 door wasjisj hatem ondersteunt. In het Jodendom is het slachten van dieren zodat zij gegeten kunnen worden en het dier zelf – dat door een vrome gegeten wordt – het sublieme wat men bereiken kan binnen verheven aanbidding dat de vrome ondergaat. Dit omdat hij Hasjem dankt dat hij de energie uit het vlees mag halen. Zo kunnen nog meer delen van het dier gebruikt worden voor de heiliging: de Tora, mezoeza, teffilien, etc. Met andere woorden: het slachten wijst niet naar nodeloze afslachting, maar naar een verheffing. Met andere woorden: Mosje pleitte niet direct voor het behoud van de Joden. Hij verwees naar het gehele vruchtbare proces van realisatie van zonden, schoongewassen willen worden (vaak door middel van lijden) en soms dood wensen om bevrijd te worden van het lijden. Zouden ze vernietigd worden, dan zóu de enige boodschap naar de gojiem zijn – die als Bne Noachieden ook G’ddelijke verplichtingen hebben – dat dienen van Hasjem geen enkele nut zou hebben, want Hij houdt Zich niet aan Zijn afspraak door hen te doden in de woestijn (Likkoetei Sichot, vol. 23, Sjlach 2).

Hier zien wij nog een voorbeeld dat fysieke dood een barmhartige daad kán zijn.

Geen straf maar zegen
En de levende neme het ter harte

Prediker 7:2

Stel… je leeft in het jaar 1600 en je mag een kijkje nemen in de toekomst. Hoe zou jij reageren op een witte, kille, steriele, klinische kamer waar iemand vastgebonden stilletjes op een tafel ligt. Hij zit vol slangen en draden. Je ziet een boor, een zaag, veel bloed en mensen in witte kleren om heen met bloed aan de haden. Je kijkt nog beter en je ziet tot je schrik dat deze man gemarteld wordt. Hij heeft een gapend gat in zijn borst! Is dit een zieke marteling, een straf omdat hij iets strafbaars heeft gedaan? Nee, het zijn reddende engelen die ij elkaar 14 jaar hebben gestudeerd om levens te redden!

In de inleiding lazen we het liedje Adoedaleh, dat alles van Hasjem komt en dat alles bestaat om een reden.
Lijden moedigt mensen aan de diepten van hun zielen te zoeken om zo tot oneindige diepten van energie en geest te komen. Vandaar dat er mensen zijn die de vreselijkste vormen van lijden overleven. Een voorbeeld is uit het boek van “Hasidic Tales of the holocaust” van Jaffa Eliach. Rabbi Jisrael Spira de Bluzhover was Rebbe en op een dag was hij hout aan het zagen toen hij vreselijke gehuil van moeders en kinderen hoorden. Er vonden een “Kinder Aktion” plaats. Kinderen werden van de moeders – letterlijk van de borst – afgenomen om een stuk verderop afgeslacht te worden. Een vrouw riep om een mes en de rabbi had snel door dat ze zelfmoord wilde plegen. Hij probeerde haar uit haar hoofd te praten. Ze bleef volhouden. Toen de nazi-officier naderde en haar een zakmes aanbood, legde zij haar kind op de grond en besneed haar kind op een rappe wijze. Duidelijk sprak zij de beracha van de brit mila uit. We zien hier een waar gebeurd verhaal van een bovennatuurlijke kracht en eer!

Berachot 9 misjnah 5 zegt dat je als je voor goede dingen dawnt, moet je ook voor pech dawnen. We moeten – zoals eerder gesteld – bij iedere vorm van lijden nagaan of de vervelende dingen wel door ons alle feiten zijn na gegaan en alles in kaart hebben. Tijdens de situatie denken wij alles te weten en het als slecht te mogen bestempelen. Maar achteraf kan je – zoals andersom bewezen – toch tot een andere conclusie komen.
Daarnaast als je toch tot de conclusie moet komen dat er een enorme negatieve omstandigheid plaats vindt, dat het niet per se – G’d verhoedde – een tuchting is, maar dat een slechte situatie gebruikt wordt om tot een goed resultaat te komen! Immers als men alle feiten echt op een rijtje heeft en deze bestudeerd heeft, moet men concluderen dat de omstandigheid 100% slecht en kwaad is. De Chassidoes zegt dat men in diepe lijden het goede niet zien, omdat het goede – dat zó hoog verheven is – niet aan de beperkte begripsvermogen van de mens kan openbaren. Deze vorm van goedheid is hoger dan wij doorgaans kennen en dus niet met normale cognitieve vaardigheden waarneembaar is.

Rabbi Sneur Zalman schrijft in de Tanya:’In de Gemara wordt er uitgelegd dat je pech met vreugde moet accepteren zoals de vreugde van een visueel en duidelijk voordeel. “Dit is voor het goede”, ondanks het niet waarneembaar en zichtbaar is voor de beperkte ogen, omdat het bestemd is voor de “verborgen wereld”, wat hoger is dan de “geopenbaarde” wereld; de laatste emanatie van de letters Waw en de He van de Tetragrammeton, zoals de verborgen wereld door de Joed en de He wordt gerepresenteerd. Dus de pech zijn verborgene zegeningen waarvan de oorspong in de verborgen wereld ligt, dit is de betekenis van de vers “Gelukkig is de man die U oh Hasjem tuchtigt Tehilliem 94:12. Daarom commentateerden de rabbijnen – in gezegende herinnering – (Joma 23a) dat dit voor degene is die plezier in hun tegenslagen hebben, die gereflecteerd wordt in Richters 5:31: “Zo zullen teloorgaan al uw vijanden, o Hasjem,en wie hem liefhebben zijn zoals de zon uittrekt in zijn kracht! Dan heeft het land veertig jaar rust.” Daarom zal degene die tegenslagen met vreugde accepteert als zon zijn die in zijn macht vooruit gaat… betekent dat op dat moment de verborgen wereld openbaar zou worden en een vooruitgaande licht met een intense openbaring zal zenden naar degene die in deze wereld naar Hem vlucht en schuil zoeken onder zijn schaduw… de schaduw van Zijn wijsheid…(Tanya 26).

Baal Sjem Tov zegt dat in het woord tzarah – problemen, lijden – dezelfde letters bevatten als tzohar: uitstraling en verlichting. Deze twee aspecten kunnen degene in zijn lijden vinden. Iemand in pijn is dan in staat om op een verhevene wijze tot de geopenbaarde goedheid te komen dat zijn leven weer oplicht. Dit talent om het licht uit dat pijn te nemen en daarmee het licht aan de einde van de tunnel te zien, is het herkennen van het feit dat tzarah en tzohar – menselijke problemen en hun eventuele oplossing voor een hoger goed – van G’d komt. Eugenlijk zijn zij een en hetzelfde. Dit is de acceptatie en herkenning dat G’d Schepper en Koning van de wereld is en niets buiten Hem om bestaat en … gebeurt en dat uiteindelijk alles wat G’d wenst voor ons bestwil is. Iemand die dit erkent, behandelt pijn en pech als een tragedie en verdriet, maar niet als slecht. Je kan onderscheid maken tussen morele vragen en subjectieve pijnlijke vragen.

G’ds territorium
Hasjem kan daarentegen zeggen: ‘Ik ben de Schepper van het universum. IK geef leven, IK neem leven, IK geef gezondheid en IK weiger gezondheid te geven. IK BEN Koning van deze wereld en er zal een tijd aanbreken dat IK iemands leven neem. IK zou misschien geluk en gezondheid nemen. En wanneer IK zulke dingen doe, wil IK dat jij er NIET mee bemoeit. IK heb je hulp net nodig. Twijfel er niet aan dat IK het niet doe, en twijfel er niet aan dat IK weet wat IK doe en wat IK doe is RECHTVAARDIG. Maar bemoei je niet met deze overwegingen. Dit is MIJN DOMEIN.’
Aan de andere kant zegt Hasjem: ‘Wanneer IK leven en geluk geef, nodig IK je uit met MIJ mee te doen door MIJ te assisteren met het verlenen van het goede.’

Dit is de definitie van goed en kwaad: een slecht ding is alles wat wij doen waarvan Hasjem ons verbiedt daarin te participeren. Hij zei dat HIJ over dood beslist en wij moeten niet het hart hebben Hem hierin te assisteren, voor de voeten te lopen. Anderzijds wilt Hasjem onze praticipatie wanneer het om goede dingen gaat: geven van tsadekka is goed. Het nemen van iemand eigendom – stelen – is slecht. Dood is geheel Zijn zaak. Onze zaak is leven.

Waarom deed Mosje in Parasja ki sisa het tegendeel? Sjemot 32:10: ‘Haniecha lie…Laat Mij begaan… Met andere woorden: Laat Mij met rust, was Hasjems reactie op Mosjes bemoeienis. Maar RaSji zegt dat wij niet weten wat Mosje gezegd heeft voordat Hasjem zo fel reageerde. Ondertussen maakte Hij een uitzondering en gaf hem te kennen dat als hij voorhet volk zou bidden, dat Hij niet tot vernietiging zou overgaan. Met andere woorden: pleit als een advocaat, want dat hebben zij nu hard nodig. Waarom heb je nog niet geprotesteerd? (Berachot 32).
Hierin leren wij dat wij Hasjem mogen uitdagen en met Hem mogen discussiëren om het lijden tegen te gaan. Niet alleen mensen maar ook engelen zijn in staat protest aan te tekenen. In de Magzor van Jom Kippoer lezen wij over de executie van 10 Tsaddiekkiem door Rome. Na de vreselijke moord op Rabbi Jisjmo’el Kohen hagadol – waarvan zijn huid van zijn gezicht zijn getrokken – huilden de engelen met diepe en bittere verdriet: ‘is DIT Tora? Wat een beloning is dat! Oh G’d Die Zichzelf omgeven heeft met Licht als een kleed, de vijand vervloeken Uw grote en Machtige Naam, minachten en ontheiligen de woorden van de Tora.’

Wanneer iemand ziek is, zijn wij verplicht te bemoeien met Hasjems zaken, het is namelijk een mitswe om levens te redden: ‘lo ta’amod al-dam re’echa… blijf niet stilstaan als het om het leven van je naaste gaat.’ Wajjikra/Lev. 19:16. Met andere woorden: we moegen niet met Zijn zaken bemoeien wanneer het om dood gaat. Wel moeten wij trachten leven te bevorderen. In feite moet je met Kadosj Baroech Hoe debatteren en dat uit zich vaak in doen. Lo ta’amod al-dam re’echa betekent dat om kosmische redenen het besloten is dat de persoon kan doodgaan… zijn tijd kan er zijn. We moeten ondanks deze beslissing tegen in gaan. We moeten bidden en pleiten om iemands welzijn.
Het verhaal van Hasjem en Mosje is een bewijs dat je mag, nee moet, pleiten om Zijn dodelijk besluit tegen te gaan. Hiermee bewijzen wij dat wij erkennen geheel afhankelijk van Hem te zijn. Dat Hij Zijn wereld domineert.
Wanneer wij vragen aan onze Joodse metgezel: ‘mah nisjmah? Hoe gaat het?’ Dan antwoorden wij: ‘Baroech Hasjem!’ Baal Sjem Tov reisde zowat heel zijn leven door het Russische platteland en vroeg aan ongeletterde Joodse bevolking hoe het met hen gaat. ‘Baroech Hasjem – hoe het ook gaat met ons, wij danken G’d! Baal Sjem Tov reisde door het inmense land om dit van de gewone Jood te kunnen horen, want BSjiT leert ons hiermee dat G’d grotere blijdschap heeft in deze proclamatie vanuit het geloof van de simpele Jood dan van een rabbijn. Baroech Hasjem is het erkennen dat over al het goede en slechte een Individu overkomt G’d controle heeft. Dat zijn de dingen die Hasjem het liefste hoort. Wij moeten dus onze naaste liefhebben waardoor je inderdaad in discussie met G’d gaat omdat jij het oneerlijk vindt. Immers je dient óók te ageren tegen dierenleed!

Was Avraham teleurgesteld dat Hasjem na zijn pleidooi toch Sodom en Gemorra heeft verwoest? ‘Baroech dajan emet was zijn reactie: ‘Geprezen is de Ware Rechter’. Ondanks wij alles tegen ellende actief moeten zijn, inclusief debatteren met Hasjem, moeten wij wel het geloof en het vertrouwen hebben dat Zijn uiteindelijke beslissing de juiste is, de waarheid: Baroech dajan emet. Zodra een persoon niet meer te redden is, alles is geprobeerd, dan komen wij op G’ds territotum en dan mogen wij ons er niet meer mee bemoeien. Alles wat buiten het leven omgaat is in handen van Hasjem.
Maar Dawied hamelech ziet dat zijn dienaren met elkaar fluisteren, en dan begrijpt Dawied hamelech dat het kind gestorven is. Dawied hamelech zegt tot zijn dienaren: is het kind gestorven?, en zij zeggen: ja, gestorven!

Dan staat David van de aarde op, wast zich, zalft zich, verwisselt zijn kleren, komt dan binnen in het huis van Hasjem en werpt zich neer; hij komt zijn huis weer binnen en vraagt of ze hem brood willen voorzetten, en eet dan.
Zijn dienaren zeggen tot hem: wat is dit voor een woord dat je hebt gedaan?- omwille van het kind toen het nog leefde heb je gevast en geweend, en zodra het kind gestorven was ben je opgestaan en heb je je brood gegeten! Hij zegt: ja, toen het kind nog leefde heb ik gevast en geweend,- want, zei ik, wie weet is Hasjem mij genadig en zal het kind leven; en nu is het gestorven: waarom zal ik vasten?, zou ik bij machte zijn het nog te laten terugkeren?- ik kan naar hem toe gaan,hij keert niet terug naar mij! 2 Sjamo’el 12:19-23

De laatste uitdaging: de dood
Denk goed en het zal goed zijn

De Rebbe

In het Jodendom is er geen ruimte om je bij lijden en ellende neer te leggen als: ‘alles is ten goede…’ en “G’ds wegen zijn ondoorgrondelijk, maar het is voor je bestwil.’… We moeten tot het uiterste gaan om het lijden te voorkomen en zo nodig te genezen. Wij zijn verplicht tijd, bronnen en geld aan hulpverlening uit te trekken. We moeten tijd vrij maken om te kijken naar onze naaste. Voor ziekten, oorlogen en rampen waarin wij niets meer kunnen betekenen, moeten wij ons tot Hasjem wenden en Hem verzoeken dit te laten stoppen en dat Hij ons vreugdevolle en gelukkig leven schenkt. Het Chassidisme legt zich niet bij pijn en lijden neer. We moeten bij iedere vorm van lijden niet ons afvragen waarom het lijden plaatsvindt, of het nu om de Sjoa gaat waardoor je zou kunnen stellen dat het voor de oprichting van de Staat Israël nog ergens goed voor zou zijn geweest of een andere vorm van lijden. Ieder leven weegt niet tegen zoiets op! Daar is ieder mensenleven te waardevol voor. In plaats van overal een antwoord op te vinden moeten wij werken aan oplossingen voor iedere vorm van lijden en G’d afsmeken ons te helpen dit lijden te stoppen. Maar zoals in de inleiding aangegeven: de vragen moeten relevant zijn en niet uit een arrogantie gesteld worden. Wij gaan dit later uitgebreider toelichten.

De christelijke- en Joodse interpretatie waarom de dood niet direct intrede deed toen Adam van de vrucht van Kennis van Goed en Kwaad at verschillen enorm. De christelijke interpretatie: Adam zou spiritueel gestoven zijn en dat de mensheid sinds Adam JC nodig nodig heeft om behouden te worden en zo mee te mogen maken dat men na de opstanding der doden of dan tot G’ds Koninkrijk mogen voegen of dat dan het dode lichaam met de ziel voegt om zo in Zijn Koninkrijk te mogen participeren.
De Joodse visie is duidelijk anders. Hasjem heeft nooit gezegd dat je direct dood neervalt als Adam en Chava van de vrucht zouden eten. Hij zei dat vanaf dat moment Adam en Chava onderhevig zouden zijn aan de dood. Dit betekent dus dat het nooit de bedoeling was dat de mens überhaupt zou sterven. De mens was gemaakt om voor eeuwig en altijd Hasjem te dienen. Zolang Adam zich aan Hasjem zou vasthechten, kleven, en geheel Zijn Wil zou doen, dan zou hij ook eeuwig zijn zoals zijn Schepper. Hij werd – doordat hij zich van de Schepper losliet – aan de dood onderhevig, zoals een appel dat van de boom valt. Adam zat als het ware met een navelstreng aan de Almachtige vast gehecht en dat maakte hem eeuwig. Hij was letterlijk afhankelijk van het leven van zijn Bron: Hasjem, de Eeuwige. In dat verlengde geldt dit ook voor onheil en ellende. Echter in deze “interim” leven tussen Gan Eden en Olam haba, worden wij achtervolgd door kanker, AIDS, ongelukken, oorlogen, genocide, etc. Interim betekent “tijdelijk”. Deze ellende is dus tijdelijk ondanks de tijdelijke ellende, mogen wij ons nooit aan ellende overgeven en dienen wij te strijden tegen de engel des doods, tegen oorlogen, etc. We moeten dawnen en strijden, strijden en dawnen. De remedie tegen de dood is steevast geloof in wederopstanding. De strijd tussen leven en dood is een strijd tussen zijn en niet-zijn. Dood is een ‘niet-zijn’, tijdelijk obstakel dat overwonnen kan worden door steevast geloof in de wederopstanding.

Volgens de traditie vult Micha’ee – de beschermengel van Israël – in de Hemel ook de rol van Hogepriester in. Hij offert dagelijks ten behoeven van de rechtvaardige zielen. Het is Micha’ee die tegen onschidge slachtoffers protesteert.
Antwoorden op lijden is niet rationeel of kabbalistisch uit te leggen. Het is een menselijke benadering, een confrontatie met Hasjem die het lijden toestaat. De karakter “Pedro” in het boek “The Town Beyond The Wall” van Elie Wiesel, zegt: ‘Het diaoloog of … duel… tussen mens en Hasjem lost niet in het niets op. De mens heeft weliswaar niet het laatste woorden, maar wel de laatste schreeuw. Dat moment markeert de geboorte van kunst… en vriendschap is kunst..’ (pag. 103). Met andere woorden de reden van het lijden wordt ontdekt wanneer wij tegen Hasjem protesteren. Het is de meest effectieve manier om het lijden om te gaan, is je door middel van vriendschappen uit te strekken naar andere mensen. ‘Ik lijd, omdat ik het ben’ wordt ‘Ik lijd, daarom ben jij er’. Hierdoor leer je geluk in het universum van de ellende te creëren. Dat leidt altijd naar een ánder. Voorbeeld is de film “Lorenzo’s oil” waar een kind nog maar twee jaar te leven had. In plaats het lot te accepteren, zoals de RKK de ouders aanraadde, zijn zij de strijd tegen het lot aan gegaan. Zij vonden een kuur tegen de ziekte van hun zoon en niet alleen voor hem, maar het redde tienduizenden kinderen in de wereld die aan ALD lijden. Dat is het Joodse antwoord op lijden. Junior partners van Hasjem vormen om de ellende in de wereld te corrigeren (tikkoen). De mens is namelijk naar Zijn evenbeeld geschapen! Het dankzij Hasjem dat mensen in staat zijn tot Zijn eer de tol van schepper te mogen aanvaarden en invulling te geven aan de oneffigheden en leegtes in de schepping. G’d schiep de wereld (zeer) goed, maar niet volmaakt. G’d gaf de mens de opdracht en de middelen om de wereld te vervolmaken en nam daarmee een risico. Als juniorpartners vormen zij het lichaam van Israël (Ezechie’el 37) en zoals een vleselijk lichaam betaamt, dienen wij als onderdeel van het Lichaam van Israël te functioneren. We moeten als een immuunsysteem reageren. Zodra maar de kleinste bacterie of dergelijk het lichaam binnendringt, dienen wij deze te bestrijden. Ook het immuunsysteem met diverse functies is door Hasjem gecreëerd. Het is niet relevant of deze functies snappen waarom jouw lichaam een flinke griep heeft opgelopen. Het lichaam lijdt en het immuunsysteem moet aan de slag om het lichaam het genezen. Wanneer een bacterie het lichaam binnendringt, zend het immuunsysteem echt geen signaal naar de hersenen uit om het uit te leggen waarom die bacterie is binnengedrongen, maar het bestrijdt de potentie van ziekte. Het systeem ziet de bacterie als een indringer en zal er vervolgens alles aan doen deze te vernietigen. De bacterie heeft geen betekenis en vraagt niet om uitleg. We moeten er gewoon van af. En zo is het ook met het lijden.

De Talmoed leert da veertig dagen voor de geboorte van het kind een engel zijn levensloop aankondigt, met wie hij trouwt, of hij rijk of arm is, of hij zwak of sterk is. Met andere woorden: ons lot is vastgelegd. De Misjnah zegt: wie is rijk? Hij die bij zijn lot neerlegt’. Is dit nu tegenstrijdig met het Joodse antwoord op het lijden? Nee. Maar dit alles wetende; hoe rijmen wij dit met ons gevecht tegen onheil? Dus tegen dat lot?
Het lot dat bij de mens ligt, is gewoon “het lot” en niet per se Hasjems wil. Hasjems wil is hoe we er met ons allen er mee omgaan. Wanneer wij iemand die arm is zien (lot) is het Hasjems wil dat we naar de persoon uit strekken en een helpende hand bieden. (bestrijden van dat lot). Dus wanneer wij een arme, zieke of dergelijke zien, mogen wij ons niet afvragen wat Hasjems reden hier achter is, maar wij moeten de mes helpen en dawnen voor zijn persoon. Zó vervullen wij onze plichten.

Maar stel: armoede of ziekte is juist in dienst van dat persoon (dat is het lot die wij volgens de Misjnah niet mogen bestrijden), lopen wij Hasjem niet voor de voeten wanneer wij trachten tikkoen te doen door hulp en dawnen? Hoe kunnen we protesteren? Door te weten dat alles wat Hasjem toelaat van een hogere goedheid dat wij met onze beperkte denken kunnen begrijpen. Zoals wij eerder leerden: lijden is goed van een hoger niveau. Zou U in Uw goedheid deze ervaring, deze les op een mindere pijnlijke wijzen willen brengen? U bent onbeperkt. Er is niets wat U niet kan. Zou U Alstublieft een mindere pijnlijke methode willen toepassen dat hetzelfde effect heeft? Dat is bij je lot neerleggen, maar strijden tegen de negatieve effecten van het lot. Als jij naar de tandarts gaat om je kies te laten boren, kun je om een verdoving vragen. Wij hebben zelf de tandarts gebeld en gevraagd om hulp. Wij vertrouwen dat hij alles voor ons bestwil doet. Wanneer hij een verdovingsprik geeft die erg veel pijn doet, vragen wij ons niet af waarom hij die prik gaf. Wij vragen of hij in het vervolg voorzichtiger kan doen zodat de prik minder pijn doet, maar dat het effect hetzelfde blijft. Ondertussen is de tandarts beperkt en Hasjem niet. Dit is de theologie van het protest en het bieden van hulp. Zo lopen wij ook niet voor Zijn voeten.
Wat is minder pijn? Wanneer wj kunnen zien wat er aan de hand is. dat wij begrijpen waarom sommige lessen nodig zijn. Daardoor kunnen we het beter verhapstukken. Stel je voor dat je een zwaar huwelijk hebt. Jouw echtgenoot of echtgenote is een grote klager. Jullie zijn ongelukkig, jij loopt rond als of je leven voorbij is. alles lijdt eronder, zelfs jouw werk. Eigenlijk is jouw leven een groot pijnhoop geworden.
Maar stel dat Hasjem naar je toe komt en zegt: ‘Ik heb een verzoek. Ik heb hier een persoon die Ik geschapen heb. Ik ben verantwoordelijk voor die persoon. Uiteraard heb Ik iemand nodig die met deze persoon wilt trouwen. Kan jij Mij een plezier doen en zou jij met die persoon willen trouwen? Deze missie duurt je leven lang. Ik geef jou leven, gezondheid, alles wat je nodig hebt. Enige wat Ik van jou verlang is dat jij er alles aan doet deze persoon blij en gelukkig te maken. De persoon is niet de gemakkelijkste om blij te maken en de persoon is veeleisend, maar dit is belangrijk voor Mij: trouw met die persoon.’
Als Hasjem aan jou op die manier verschijnt met zo’n verzoek, dan zal je graag aan Zijn missie willen meewerken. Jij zal enthousiast reageren en enthousiast deze uitdaging aangaan. Jij zal jouw huwelijk niet als last ervaren. Met andere woorden: als wij de reden van onze pijnen zien waardoor wij het als een kosmisch doel beschouwen, dan zouden wij de omstandigheden niet als pijn maar als plezier beschouwen. Het onthoud van informatie is merendeel het fundament van onze pijnen. De Talmoed leert dat wij de slechte dingen in het leven net zo dankbaar moeten aanvaarden als de goede dingen. Dat betekent niet dat je plezier aan je ellende moet beleven. Dat is zelfs heel onjoods. De bedoeling is het negatieve laagje over de situatie eraf halen en proberen de rest dat overblijft te begrijpen.

Arrogant is het om te denken dat als iemand abortus pleegt, de reden is dat een ziel geen levenskans heeft gekregen. Hasjem schept geen leven omdat vervolgens wreed te laten afbreken. Een moordenaar is wreed, de dood is niet wreed. Degene die abortus pleegt heeft geen leven genomen, al zou zij het willen. Zij kan dat niet. Zij moet spijt hebben van haar beslissing. De onderliggende gedachten is: Hasjem heeft verschillende methoden om iets naar Zijn Wil te krijgen. Als Hij iemands leven wilt beëindigen – waar wij zoals eerder besproken niet mee mogen bemoeien- kan Hij ziekte, een bliksemflits of mij apart een trein op de persoon af sturen. Hij heeft die vrouw met haar verkeerde mindsetting of de zieke geest van de moordenaar niet nodig. Dit staat boven ons. Wij worden gestraft voor het maken van verkeerde keuzen. Met andere woorden: Hasjem heeft geen mensenhanden nodig om een leven te beëindigen. Zouden alle mensen dan voor altijd leven als er geen moordenaars bestaan?
RaMBaM geeft in de Misjneh Tora een voorbeeld. In Bereesjiet 15:13 voorspelt Hasjem tijdens het even van het verbond van de delen dat het volk slaven in Egypte zullen worden. RaMBaM vraagt waarom de Egyptenaren voor deze slavernij worden gestraft. Zo ook dat Hasjem aan Mosje vertelt dat na zijn dood het volk van het recht pad zullen gaan en het Verbond zullen verbreken. Waarom worden de Joden gestraft wanneer dit van te voren al bepaald is?
RaMBaM antwoordt dan: het gaat om het gehele volk. Jij hoeft niet met de massa mee te lopen zodat jij ook het Verbond hebt verbroken. Hasjem zegt: ‘er zullen afgodendienaars TUSSEN het volk begeven’.. Het is geen verschil – leert RaMBaM – met de opmerking ‘er zullen goede EN slechte mensen binnen het volk begeven’. Hierdoor mag een slecht mens niet zeggen dat voorbestemd is slecht te zijn. Dit geldt ook voor de Egyptenaren. Daarnaast weigerde par’oh Hasjem WIL Zijn volk te laten gaan.

Het probleem van het lijden
Wij moeten pijn in daden omzetten, en tranen in groei

De Rebbe

Voorbeeld dat iets slecht in onze ogen lijkt maar goed op hoger niveau is, kunnen wij lezen in Parasja Wajesjev (Bereesjiet/Gen. 37:1-40:23). Daarin lezen wij dat de broers Joseef verkochten. Wanneer mensen goed zijn, beloont Hasjem en door hen te helpen in het optreden van goede situaties te creëren. Wanneer mensen slecht zijn, maakt Hasjem van hen helpers van het brengen van schade (Sjabbos 32a). Maar wanneer mensen goed of kwaad behoren te zijn, weegt Hasjem dit op individuele basis af. Tsaddikiem worden strikter beoordeeld dan anderen omdat er meer van hen verwacht wordt dan gewone mensen. Het is zelfs zo dat wat gewone mensen goed doen bij mensen zoals broers van Joseef door Hasjem “niet opgemerkt” wordt. Met andere woorden, de broers waren goede tsaddikiem die een reden hadden – vanuit hun perspectief – hekel aan Joseef te hebben. Wij leerden dat Hasjem goede mensen gebruikt als instrumenten om iets goed te bereiken. Hoe kan de verkoop van Joseef dan goed zijn als zij zo goed waren? Zij bezorgden hun vader tweeëntwintig jaar verdriet.
Sinds Hasjem besloten heeft dat Ja’aqov en zijn familie naar Egypte moesten trekken, hebben zij de tranen van Ja’aqov en Joseef niet aan hun handen. Ondanks de broers het niet realiseerden, was hun gruwelijke daad de weg naar een nobel eind, omdat zij echte tsaddikiem waren die het ècht goed wilden doen. Daarom had hun misdaad een goede einde, want dankzij hen was Joseef uiteindelijk in staat vanuit Egypte de wereld van hongersnood te redden en daarnaast lag hier ook het fundament van de Exodus en hun triomfantelijke reis naar de Berg Sinaj.

Is tegen het lot ingaan en in discussie daarover treden ketters? We hebben in de Tora mogen leren dat Mosje en Avraham tegen het lijden protesteerden.
In het verlengde wat wij in het vorige hoofdstuk geleerd hebben zijn de woorden van de Baal Sjem Tov. Hij zei dat liefde voor Hasjem als eerste en voornaamste getond kan worden door naaste liefde en devotie voor de naaste. Rabbi Akiwa zegt dat Wajjikra/Lev. 19:18 je naaste liefhebben als je zelf het hoofdprincipe van de Tora is. Hillel zei tegen een goj die Joods wilde worden en de gehele Tora onder de knie wilde hebben, dat de gehele Tora “wat je haat doe je een ander niet aan” bevat en dat de rest het commentaar op deze principe is (Talmoed Sjabbos 30a). Chassidoes leert ons dat we onze naaste als prioriteit moeten beschouwen. Soms zelfs voor Hasjem. Hasjem wilt dat wij de manier waarop het op lot ontvouwd beklagen. Hij wilde dat Mosje tegen Zijn wraak protesteerde na aanleiding van ‘eigel hazahav, het gouden kalf. RaMBaM toont aan dat rabbijnen die Spaanse Joden – die onder de terreur van Islamitische Almuhad vervolgd werden – mogen veroordelen. Hij toonde aan dat Hasjem Zelf degene die Zijn volk veroordeelde strafte. Mosje, Elijahoe en Jesjajahoe en zelfs engelen werden gestraft wanneer zij bij Hem met negatieve report over het volk kwamen. Hij was zo boos op Jesjajahoe (1:6-7), dat Hij een Seraf met een pan kolen op hem afstuurde om zijn mond met kolen te vullen. Als Jesjajahoe’s oordeel – dat Jisrael profaan was – waar was, waarom werd hij gestraft? Waarom werd Mosje op zijn plek gezet toen hij beklaagde dat zij van G’ds pad afweken, zich assimileerden met het Egyptische cultuur, het verlaten van het verbond door hun kinderen niet te laten besnijden? De reden van Hasjems boosheid is dat het niet onze zaak is. Hij Alleen is Rechter over alles en iedereen. Het is niet onze plek om een oordeel over mensen te fellen. Onze plek is onze naaste te verdedigen en te beschermen. Hasje geeft en neemt leven. Mensen beschermen en verdedigen het leven. RaMBaM schrijft in “Epistle on martyrdom: ‘Ondanks dat was Jesjajahoe niet geheel vergeven, zijn volledige verzoening kwam alleen toen hij door koning Menasje vermoord werd. Als dit de strafmaat voor de groten der wereld – Mosje, Elijahoe, Jesjajahoe en dienende engelen – is, dan zeker meer wanneer iemand ei lang niet zo belangrijk is en de moed heeftt tegen de gemeenschap van Jisrael, haar geleerden en haar studenten priesters en Levieten zijn mond open doet en hen labelt als “zondaars”, “kwaadaardige”, “heidenen”, en “niet in staat zijnde voor het gerecht te getuigen”, ketters”… hoe erg zal de straf zijn voor degene die zulke woorden uitspreekt.’
Als mensen het voor zichzelf zeggen, moeten het zelf weten, maar onze protest moet daardoor niet beïnvloed worden. De les in het lijden op deze onvolmaakte wereld is compassie en een onvoorwaarlijke liefde dat niet gedomineerd wordt door egoïsme. We moeten een eenheid vormen en elkaar altijd bijstaan. Nooit mogen wij ons afvragen of iemands pech en lijden een straf voor zijn zonde is,. onze rol is het promoten van het leven en niet te oordelen. Wees aardig tegen mensen die niet aardig voor je zijn. Wees gul naar mensen die niet gul naar je zijn. Wees respectvol naar mensen die jou disrespectvol behandelen, etc.

Er zijn volgens het Jodendom drie manieren om met lijden om te gaan die in feite de drie niveaus van volwassenheid vormen:

eerste nieveau is wanneer iemand iets tragisch ondergaat, hij het gevoel heeft dat hij niet verder kan komen. Hij komt vast te zitten en dat voelt als of alles voor niets is. Deze obstakel zorgt ervoor dat hijniet verder groeit en zal zich verlamd voelen. Hij is niet constructief noch volwassen.
tweede niveau is een stuk constructiever wanneer iemand denkt dat hij sterk en capabel is waardoor die de terugslag het hoofd zal bieden. Hij laat zijn leven er niet door beïnvloeden. Hij zal het bevechten en overwinnen. Het addertje is dat de persoon vaak bitter en boos is. Hij is volwassen maar niet op een positieve manier. Ondanks zijn overwinning zit hij in een slachtofferrol. Hij overwon het eigenlijk door middel van bepaalde zaken te blokken en zegt tegen anderen: ‘That’s life. Wat kan je er aan doen. Er zijn ergere dingen in het leven’.
Als – G’d verhoedde – je iets tragisch overkomt, zie je het niet als een stoorzender in je leven, maar als een onderdeel van je leven. Jouw leven bestaat uit bergen en dalen, maar het is jóuw leven. Wanneer je in een dal terecht komt is dat ook jouw leven, net als de berg! Hier zien wij duidelijk dat we zowel voor de goede dingen als voor de pech moeten danken, zoals de Talmoed ons dus leert. Hierdoor reageert je altijd op dezelfde manier omdat je maar een antwoord op je leven hebt: jij houdt van jóuw leven, je koestert jouw leven en je weigert het te willen ruilen voor iets anders. Je bent dan volwassen genoeg dat het gras aan de overkant niet groener is. jouw leven is jouw vreugde en jouw pijn. Dit is jouw lot. Hierdoor weiger je bitter te worden, je wilt je niet deels afsluiten. Sterker, je wilt er in verder groeien.
Dat laatste slaat ook op je gezin en de gehele Joodse gemeenschap. Er zijn bergen en dalen in de Joodse geschiedenis. Er zijn Joden van wie je moeilijk houdt en er zijn Joden van wie je makkelijk houdt. Maar zij zijn allemaal mijn naasten. Je wilt je niet tot een andere gemeenschap dán de Joodse gemeenschap behoren. Zo is dat ook met je gezin. Als jouw gezinsleden jou eigen zijn, zie je geen “fouten”. Jouw echtgenoot is jouw echtgenoot en er is geen ander. G’d verhoedde wanneer je kind gehandicapt is, dan wil jij jouw kind toch ook niet ruilen. Zo is het ook met pijn in je leven. Je wilt toch niet ruilen? Daarnaast heeft iedereen bergen en dalen in zijn leven. Vreugde en verdriet accepteer je je beide, wang beide maakt het je tot wie je bent.

Het is opvallend wanneer mensen oog in oog met hun sterfelijkheid komen te staan, dat zij gevoeliger worden, meer naar anderen omkijken, etc. Doordat hij een confrontatie met zijn eigen sterfelijkheid kwam, wilt hij zijn leven juist met anderen delen, want hij realiseert zijn afhankelijkheid van anderen.
Naar Hasjem toe mogen wij nooit oordelen waarom Hij iets toelaat. Zoals wij van Hem vragen verder in onze harten dan onze zonden te kijken, moeten wij over de obstakels heen kijken wetende dat daar altijd iets goeds uit voortkomt.

Dus, zoals de Rebbe ons leert, als jij Hasjem in jouw pijn en verdriet vragen gaan stellen, moet je eerst nagaan of jouw bedoeling van jouw vragen zuiver zijn. Zijn de vragen gesteld vanuit woede of het goedpraten van jouw reactie? Deze emoties zijn namelijk geen maatstaf. Emoties verdraaien dikwijls de waarheid. Pijn is namelijk een symptoom dat niet altijd een zichtbare oorzaak aanduidt, waardoor jij je geheel op de pijn richt, in plaats op het symptoombestrijding.
Daarnaast hangt het af of jij een materialistisch leven op na houdt. pijn en lijden worden door materialisme anders geïnterpreteerd, omdat materialisme altijd van tijdelijke aard is. Vanuit jouw pijn en daaruit voortvloeiende woede ben jij geneigd Hasjem los te laten waardoor jij je automatisch van het antwoord op jouw vragen op lijden en pijn afkeert! De pijn krijgt jou dan nog vaster in zijn greep! Door een rotsvaste vertrouwen in Hasjem te ontwikkelen, worden jouw pijnen en lijden een onderdeel en uit dagen van en in jouw leven. Het vrucht van jouw pijn en lijden is het uitdiepen van jouw relatie tussen Hasjem en jezelf. In tijd van voorspoed leren wij het leven te begrijpen, waardoor wij beter met pijn en lijden om kunnen gaan zodra wij met onheil worden getroffen. We moeten een boom met sterke wortels zijn die met een enorme storm niet omwaait.
Echter mogen wij vertrouwen in Hasjem niet verwarren met gelatenheid. Wij moeten pijn en lijden zien als prikkels die ons aanzetten ons nog beter in te spannen en andere mensen aan te moedigen. Hierdoor zullen wij ervaren dat lijden een hoger doel dient dan wij denken en zien. Hiermee onthullen wij de ware aard van het lijden. ‘Emoenah, geloof, zorgt er voor dat je in tijden van lijden juist gaat dawnen en juist met al je ‘emoenah op Hasjem moet vertrouwen. Door – vanuit je woede om het lijden – Hem te verlaten, verlaat jij jezelf. Je ziel is de vitale verbindingslijn met Hasjem die in dit leven het enige element dat eeuwigheidswaarde heeft.

Laten wij ons voorbereiden op zowel de magere als de vette jaren van ons leven!

De Sjoa; de Holocaust
De Joodse mensen zijn als een stapel walnoten.
Wanneer en walnoot verwijderd wordt, is ieder noot op de stapel uit zijn evenwicht.
Zo is het ook met een enkele Jood die in nood verkeert,
elke andere Jood is dan uit zijn evenwicht.

Rabbi Tarfon

Goed en wel, maar wat er in Auschwitz gebeurde was niet slechts “pech” en “pijnvol”. Het was een onbeschrijfelijke kwaad. Wij kunnen toch niet stellen dat uit de experimenten van Mengele iets goeds voorkomt. Wat is hier het Joodse antwoord op? Wat is een Joods antwoord op het door de nazi’s georganiseerde Kerstfeest waar alle Joodse kindertjes in een houten gebouw Kerstliedjes moesten zingen om ná de voorstelling dóór moesten zingen om vervolgens met gebouw en al levens verbrand te worden? WAT is hier het antwoord op? Wat is het Joodse antwoord op extreme vormen van lijden?

Moderne Joodse theologen zeggen dat in meerdere oorlogen – in voordeel van een oorlog of eigenbelang – zulke extreme lijden “moet” gebeuren. Of de Sjoa daarin een uitzondering vormt is voor hen niet bewezen. Echter… treinwagens voor deportatie van Joden schenen anders het voordeel van de oorlog aardig tegen te werken, omdat de Duitsers ze eigenlijk voor hun oorlog tegen Rusland zelf nodig hadden. Dus de bewering van deze sommige Joodse theologen omtrent de Sjoa gaat dus niet op. De Sjoa is een bewezen unieke gruwel dat nooit meer in de menselijk geschiedenis is gebeurd. De Nazi’s scheidden “onbruikbare” en “bruikbare” Joden. De eerste groep werd direct vermoord de tweede groep werd wijs gemaakt dat zij gespaard zouden worden. Maar dikwijls voordat zij de “bruikbare” Joden aan het werk zetten, gaven zij de “gelukkigen” geen een maar twee werkvergunningen. Eentje voor zichzelf een eentje voor een “bruikbare” moeder, vader, vrouw of een kind. De Nazi’s dwongen de “gelukkigen” te kiezen. Emil Fackenheim schreef in “To Mend The World, Foundations of Future Jewish Thought” dat hij de gehele menselijke geschiedenis heeft nageplozen om iets vergelijkbaars te vinden. Het had geen nu. De Sjoa staat qua inpackt en nasleep op zichzelf.

Alles waarover wij met betrekking tot lijden hebben gefilosofeerd heeft betrekking op onszelf. Wanneer pech en lijden op onze pad komen zijn wij verplicht onze daden te overdenken en zoeken naar gerechtigheid in G’d ondoorgrondelijke wegen. Omdat wij niet foutloos zijn moeten wij weten dat G’d van tijd tot tijd onze daden komt rechtzetten in de eerder besproken fenomeen.
Maar zodra pijnlijke zaken een ander treffen, kennen wij direct een antwoord: bezwaar maken. “Ik weet hoe hij in elkaar steekt. Hij is onschuldig! Dit persoon verdient beter, ik maak bezwaar!” Dit is het unieke Joodse reactie op lijden: de ene reactie is gerelateerd op de situatie van iemands lijden en de ander met betrekking tot de relatie met Hasjem. Wanneer het persoons-gerelateerd is, is een eind maken aan dat lijden prio een. Wanneer het in relatie is tot de Eeuwige, klinken de stemmen: ‘Hoe kunt U?’ Maar er hangt een gevaarlijke kant aan vreselijke gebeurtenissen te relateren aan de relatie met Hasjem:
Er groeit tegenwoordig een trend binnen de orthodoxie waar men gelooft dat de Sjoa een Hemelse straf is en men gaat soms verder door redeneren dat dit een Hemels antwoord is op het Zionisme (aldus de Satmer Rebbe dat later gehandhaafd werd door rabbijn Menachem Immanuel Hartom) waar enige plek voor de Masjiach ontbreekt.
Ook wordt er gezegd dat Duitse Joden in Duitsland te goed hadden en erg bij de hand in hun galoet leefden waardoor Hasjem hen straften middels de Sjoa.
Voor de Eerste Golfoorlog werd door een hoofd van een vooraanstaande jesjive in Jisrael de ellende in de schoenen van seculiere Joden geschoven omdat zij de Sjabbat niet houden en waarschuwden voor de vermeende gerichten zoals de Sjoa, in de Tora genoemde tokhahah: de Toradelen van straffen en consequenties naar aanleiding van assimilatie (je eerst Duits en dan pas Joods voelen, etc. etc.). Dit is mesjogge omdat 80% van de Duitse Joden ontsnapt zijn aan de Sjoa! Nee, de meeste die geleden hebben waren merendeels orthodoxe Joden uit kehilliem van Polen en de Sovjet Unie. En wat betreft de 1.500.000 onschuldige Joodse kindertjes? Dat de Sjoa als straf voor de Duitse Joden an sich is, is dus mesjogge. Dit past niet bij een Hemelse Vader die wél straft, maar absoluut geen sadist is. De Rebbe schreef in Sjabbat Parasjat Wajeni 5751: ‘Hasjem houdt van iedere Jood meer dan ouders die op hoge leeftijd hun eigen kind ontvangen’.

Wanneer wij naar onze Joodse naaste kijken, is onze generatie en voor de jongeren onder ons – hun ouders – gered uit het vuur (Zacharjah 3:2). Wij moeten proberen dankbaar te zijn. Pesachiem 50a leert ons dat ieder persoon die al kiddoesj Hasjem sterft, geen enkele schepsel in zijn nabijheid kan staan, omdat hij zo hoog verheven is. Met andere woorden: de mensen die de Sjoa niet overleefden zijn heilige martelaren.
Mogen wij Hasjem vragen stellen over de Sjoa? Ja en nee. Ja wanneer het vanuit een oprecht hart gaat. Nee wanneer het uit irrelevantie en arrogantie gesteld wordt met de woorden Waar was Hasjem? Dat is een domme en arrogantie vraag. Dom omdat als Hasjem niet geweest zou zijn, zouden de Joden geheel uitgeroeid zijn, omdat het doel van Hitler niet 6.000.000 maar 11.000.000 Joden vermoorden was (zie documentatie). Als Hasjem de Joden in de steek zou hebben gelaten, waarom is Hitler dood? Waarom is het Joodse volk dan niet zo gaan bloeien zoals het vanaf na WOII gebeurde? Als wij de reden van de Sjoa zouden weten, zouden wij dan beter slapen omdat het dan zogenaamd “acceptabel” is? Dan betekent dit dat de Sjoa acceptabel wordt. Is dat niet de reden dat Hasjem hierover nog even zwijgt? Is 1000 jaar voor Hem geen een dag? Met andere woorden, is de Sjoa voor Hem geen gebeurtenis dat slechts een minuut geleden is? Vergeet jij iets vreselijks na een luttele seconde of na een minuut? Hasjem zegt in Jesjajahoe 55:8 dat Zijn gedachten niet de onze is. Maar wat wij wel uit de Tora weten is dat G’d WREEKT: harnejnoe gojiem ‘ammo! Kie dam-‘avadajw jiqom. Dwariem 32:43. RaSji leert ons dat wanneer de eindafrekening komt en de wereld ziet dat Israël is teruggesteld in haar glorie, dat haar vijanden een flink probleem hebben, omdat het om doden van martelaren tegen Zijn Wil betreft! Hasjem is geen wrede G’d dat Zijn goedkeuring heeft met betrekking tot de Sjoa. Juist Hasjems Grote Machtige en Onzagwekkendheid zorgt ervoor dat Hij Zijn intense woede (Jesjoajahoe 63) kan inhouden tot de Jom hadien. Immers hoe moeilijk is het je eigen wraak te temmen? Pirke Awot: ‘Wie is een krachtige held? Wie zijn [slechte] neiging weet te bedwingen!’ Hasjems ogenschijnlijke zwijgen, Zijn Verborgenheid en Zijn “passieve” houding ten opzichte van de Sjoa ligt in Zijn Grote Kracht. Hij had namelijk in een blinck of the eye maatregelen kunnen treffen. Alleen om een Hemels Besluit wacht Hij. Waarom weten wij niet. Hasjems zwijgen is niet Zijn zwakte, maar Zijn Grootheid!
Volgens de Joodse Geschriften zouden twee grote oorlogen uitbreken tussen Israël en Edom en Israël en Jisma’el. Twee (half)broers. Voor de wereldvrede zal Hij Zijn Macht en Kracht laten varen en zal Hij Zich niet meer beheersen en Zichzelf niet meer verborgen houden: Jesjajahoe 63. Hij zal Zijn woede uitstoten en de wereld tonen dat HIJ en niet ZIJ de Schepper is Die alles wegens de Tora geschapen heeft en dat alleen ons volk de Tora geaccepteerd heeft en volgens de Tora willen leven!
Bereesjiet Rabba 68:4 zegt: ‘Wat doet G’d sinds de Schepping? Hij regelt huwelijken’. Dit betekent dat Hij participeert in vreugde en blijdschap, Hij mensen steunt in het aanleggen van familiebanden. De Talmoed leert ons dat G’d onze zonden zal begeren en ons zal terugkopen in Zijn Genade!
De New York Times publiceerde het rapport waar Mengele op beschuldigd is:

Vergassen van gevangenen
Levend verbranden van kinderen
Medische experimenten op levende personen door injectie te geven in hun ogen en hersenen en de ze met kamfer en andere chemicalen te bewerken
Doodschieten van kinderen om autopsies op hen te plegen\gezonde gevangenen blootstellen aan gele koorts en extreme vormen van X-ray radiaties voor studie
Steriliseren en castreren van gevangenen
Bloed van kinderen drainen voor studie
Amputeren van de vrouwelijke lichaamsdelen om het weefsel structuren te bestuderen.
Deze slachtoffers waren JODEN en werden om hun Joodszijn gruwelijk gemarteld en vermoord. Wij zullen het (misschien beter ook) nooit begrijpen, wij hoeven het niet te accepteren, wij mogen protesteren en werkelijk niets goed spreken. We mogen Hasjem uitdagen waarom het toegelaten is. Sommige vinden dit blasfemie, maar dan zouden Avraham, Mosje en Jermijahoe ook blasfemie plegen door Hasjem om antwoorden te vragen. Avraham die alle “voordeel” had met vernietiging van Sodom en Gemorra begon met Hasjem te discussiëren om hen te sparen. Mensen die immoreel waren, gevaar waren voor de omliggende steden en ook gevaar vormden voor Avrahams kind. Hij sparde met Hasjem. Hasjem bleef bij Zijn besluit: ‘Ik ga het doen. Het is geen buitenissig ongeluk. Ik ben het die het doet. Ik heb hierover na gedacht’. Wat vreemd dat Avraham niet met Hasjem discussieerde toen Hasjem hem de opdracht gaf Jitchak op Moriah te offeren. Hij stond er zelfs vroeg voor op (jasjbem). Waarom tekenende Avraham protest aan met betrekking tot Sodom en Gemorra en niet met betrekking tot zijn eigen zoon?
Zodra de tragedie om Avraham zelf gaat, protesteert hij niet. Wanneer het om anderen gaat, protesteert hij. In ons leven (trachten) hebben wij vertrouwen in Hem te hebben, maar als het om een andermans tragedie gaat, protesteren wij.
Het probleem van het lijden na de Holocaust is uniek en een op zichzelf staand feit. Het is een gebeurtenis dat moeilijk te analyseren is waardoor wij altijd een antwoord schuldig blijven. Laat dit in het huidige leven zo blijven, anders houden wij het gevaar dat wanneer je een antwoord weet, zelfs een excuus kan vinden, dat het zelfs acceptabel gaat worden. Soms is het beter niet te weten wat de reden van extreem lijden is. Het doel van Hitler was 11.000.000 Europese Joden te vermoorden.
6.000.000 Joden vonden op een afgrijselijke dood binnen een kort tijdsbestek van vijf jaar. Ieder weldenkend mens gruwelt ervan. Iedere Jood voelt zich een of ander manier betrokken en sterk met de slachtoffers, overlevenden en nabestaanden verbonden. Zij het omdat jouw eigen familie(leden) slachtoffer zijn geworden of simpelweg omdat jij Joods bent. Waardoor ook jouw nesjomme door deze gebeurtenis aangetast is. Maar wat is de gruwelijkheid in dit alles? De gaskamers en de afschuwelijke en onbeschrijfelijke martelingen waardoor 6.000.000 Joden hun leven verloren óf wanneer 6.000.000 Joden zomaar in het niets zouden verdwijnen? Met andere woorden: waar zit de tragedie? In de martelpraktijken of het uiteindelijke resultaat: de verdwijning van de 6.000.000 Joden? Wanneer wij wederom afvragen waar Hasjem tijdens de Sjoa was, mogen we nog een vraag daarnaast stellen: Was de Holocaust hierin uniek?

Nee.

De martelgangen stond niet op zichzelf. In de afgelopen ruim 2000 jaar zijn Joden altijd al op een extreme wijze vervolgd en doodgemarteld. Denk aan rabbi Akiva. De Romeinen reten zijn huid open met ijzeren borstels en rabbi Chanina ben Teradien die door de Romeinen in de Heilige boekrollen werd gewikkeld om vervolgens als een levende fakkel in brand te worden gestoken. We spreken dan niet over de afschuwelijke inquisities en de Chmielnitzki pogroms die meer dan 350.000 Joden in Polen en in de Oekraïne aan hun zwaarden reten. Noch de Romeinen, noch de Europeanen, noch de Chelminieken hadden de moderne techniek van de nazi’s, maar hun einddoel en werkmethode was exact hetzelfde: Joden moeten verdwijnen. Van de aardbodem geveegd worden. Hij is niet interessant, als de wereld hen maar niet meer hoefde op te merken.
Dus de martelgangen van de Sjoa was geen op zichzelf staande feit, de moderne techniek heeft simpelweg een duit in het zakje gedaan. Het verdwijnen van 6.000.000 Joden, dáár zit het gruwelijkheid in. Maar ook die verdwijning is ook geen op zichzelf staande feit, want in de voorafgaande 2000 jaar zijn miljoenen en miljoenen en nog eens miljoenen en miljoenen Joden “verdwenen” middels de vreselijkste manieren. Men schat het op (voor WOII) ruim 12.000.000 Joden. We hebben het naar beneden afgerond.

Het is dus aanmatigend je af te vragen waar Hij was, want Hij is onze Schepper en wij Zijn schepsels en zulke vragen stel je niet aan de schepper Die inderdaad alle kaarten in handen heeft, Die stel je niet te verantwoording, Die roep je niet op het matje.

Begrijpen wij dus het verschil tussen de vragen; ‘waarom’ en ‘waar was Hasjem’?

Het unieke van de Sjoa zit het meeste in de reactie van veel overlevenden, nabestaanden en hun nageslacht. In Jesjajahoe 40:1 (Troost, troost Mijn volk) staat nachamoe, nachamoe ‘ammie. Enerzijds is dat op de Messiaanse tijdperk gericht, maar Rasji leert ook dat deze profetie tweeledig is. Targoem kan ons ook vertellen dat Hasjem tot de profeten van Jisraël spreekt en hen opdraagt Zijn lijdende volk te troosten. Jesjajahoe’s profetieën zijn merendeels visoenen van vervolging en vernietiging. Later, in de tijd Bar Kochba leefde Jisrael, maar Joden stierven (lees: verdwenen). En het verbazingwekkende en het wonderbaarlijke van alles was: Joden stierven toen óók met duizenden, maar sleurden Jisrael zich niet mee in de dood. Hoe meer er stierven, des te meer leefde Jisrael. Hoe meer Joden door de eeuwen heen “verdwenen”, hoe meer er voortleefden. Zij schuilden zich achter de Torot (Geschreven- en mondelinge Tora). De Torot en Sjabbes waren altijd een geheimzinnige schild die ons beschermden. Men zegt immers dat de Tora geen begin heeft. Dan heeft de Talmoed geen einde. Sjabbat en Torot waren troost en hoop in de donkere en angstige tijden. En nu? Wat maakt de Sjoa zo uniek?

Zonder enig waardeoordeel of zelfs een fractie in die richting te (willen en mogen) geven, is er door vrome Joden opgemerkt dat de manier van de verdwijning van 6.000.000 Joden dus niet een op zichzelf staande feit was (zij wel binnen een zéér korte periode, wat het weer wel uniek maakt), maar de reactie daarop. Immers, in de laatste 2000 jaar zijn er bijna 20.000.000 Joden (dood)gemarteld waardoor zij verdwenen. Het gaat om het verdwijnen van de Joden en in al die tijd wisten kleine groepen overlevenden altijd behoorlijke keillot te herbouwen, waardoor het Jodendom bleef leven. Behalve na de Sjoa. Met grote getalen verdween (!) de Joden in de assimilatie omdat zij (naar eigen zeggen) geloof in een rechtvaardige G’d verloren hebben. Het unieke ligt dus in de nasleep en de Joodse reactie op de gebeurtenissen. In het verleden zochten de Joden troost in het Jodendom en dus bij Hasjem. Na de Sjoa was het de eerste keer dat de Joden geen troost konden vinden. Zij voelden zich van alles beroofd. Zij voelden constante grief zonder enige verlichting. G’d verhoedde… wanneer iemand een kind verliest, vindt hij altijd – in zijn onuitspreekbare verlies – in zijn andere kind troost. Maar – G’d verhoedde – wanneer iemand door een vliegramp de beide kinderen verliest, dan heeft hij niets meer. Hij voelt zich van alles beroofd. Zo is het ook met de Sjoa. In de laatste duizenden jaren vonden de Joden bij elkaar troost. Als iemands kehille geheel was uitgemoord, nam een andere kehille hem op. Zij vonden altijd ergens in al die afschuwelijkheden een verboren zegen. Hasjem en Zijn Tora werd niet alleen als aanleiding van de vervolging gezien, maar juist de oplossing. De Talmoed zegt: ‘De Allerhoogste maakt altijd een kuur voor de verwonding klaar, maar dat veranderde door de Sjoa. Iedereen was ontworteld en miljoenen na miljoenen Joden verdwenen. Er was gewoonweg niets meer over. Waar kan men nog op terugvakken?
Dat is de reden waarom veel Joden in de assimilatie verdwenen. Niet Hasjem, noch het Jodendom, noch de mensen waren in staat hen nog troost te brengen. In 1948 vonden Joden troost om Jisrael te her op te bouwen. En ondertussen moeten wij de Joodse trots, geschiedenis en waarden waarborgen, zodat de Joodse natie herleeft.

Wat ook een opzichzelfstaand feit was, is dat wij de illusie hadden dat wij na de industriële revolutie een beschaafde maatschappij hadden opgebouwd waar geen plek voor Romeinse sadisme, inquisitie en Chelminitische beestachtigheid zou bestaan. Duitsland was tot WOII de meest gecultiveerde natie en was ook technisch het meest geavanceerde land ter wereld! Zij waren de grootste muzikanten, architecten, wetenschappers, professoren, politici en zie wat superioriteit hen heeft gebracht. Deze eindigde niet in een utopie maar in Auschwitsch. De meest hoogwaardige geciviliseerde mensen veranderden in de laagste beesten. De les van de Sjoa is dus óók dat cultuur en maatschappij anno 2008 niets zegt. De beestachtigheid in de mens kijkt niet naar cultuur en maatschappij, maar leeft door alle tijden, culturen en maatschappijen heen. We vergisten ons vreeslijke door te denken dat goed gecultiveerde hoogopgeleide mensen superieur zouden maken. Wij dachten hoe beter iemand geschoold zou zijn, hoe beschaafder hij was. Wat een vergissing!

Ten opzichte van de Joden hebben vele naties die zich schuldig hebben gemaakt aan genocide. “Doodt niet!” is ons opgedragen en deze opdracht is G’ddelijk en dus niet aan te tornen. Hij Alleen mag de mitswot aanpassen als Hij dat zou wensen! Niet wij! Daarom hebben Joden zich niet schuldig gemaakt aan kruistochten, inquisities, progroms, genocide of een vorm van een holocaust! En niet omdat de Joden zo’n groot moraal bezit hebben, maar omdat zij altijd de wil van Hasjem hebben geaccepteerd. Doordat wij ons aan de G’ddelijke mitswot houden, houdt ons door de geschiedenis heen ons menselijk en sympathiek. Wetenschap, cultuur en techniek hebben nog steeds niet alle antwoorden. Dit is de grootste les in de periode van de wetenschap die de religie verdringt door holle antwoorden op de essentiële vragen te geven, wat dus duidelijk in zoiets wreeds als de Sjoa kan uitmonden. Wetenschap is de “logische” alternatief van religie. Wetenschap “was never meant to govern te properties of the world, maar om uit te leggen!

Vele stierven tijdens de Sjoa met de woorden: “Anie ana’iem” en met de “Sjema”. Laat hen niet voor niets gestorven zijn geweest en laten wij proberen Hasjem te doenen in schoonheid. Laten wij de Masjiach iedere dag verwachten, omdat hij ons uit de (geestelijke) galoet zal redden en ons laat terugkeren naar Jisrael. Dan zullen wij weten wat geluk en feest is, samen met de martelaren!

Nawoord
Degene die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien

Tehilliem/Ps. 126:6

Misschien zijn er twee antwoorden op lijden (misschien ook niet):

alles wat met lijden te maken heeft moeten wij uit ons midden nemen en dat binnen onze bereik ligt. Maar we moeten hierin als eerste als assistenten van Hasjem functioneren.
tegen Hasjem protesteren. Mosje deed dit, Avraham en meer grote mensen. Wij mogen vragen of onze levenslessen minder pijnlijk mogen (dit wordt vanzelf minder pijnlijk zodra we de reden weten), zonder Hasjems doel voorbij te schieten.
De Rebbe zei dat er geen echte verklaring voor lijden is, dan dat wij moeten begrijpen dat de wereld van nature goed is. Wanneer je dit beseft, erken je ook dat lijden hierdoor automatisch onderdeel van is van een grotere goedheid!

De Baal Sjem Tov leert ons dat wij wel kunnen proberen om voor het lijden weg te lopen, maar het lijden zal ons blijven achtervolgen. Je kunt het vergelijken met een zwangere vrouw die probeert voor de pijn van de bevalling weg te lopen. Maar deze pijn volgt haar waar ze ook maar naar toe gaat. Het beste advies voor lijden, leert de Baal Sjem Tov, is bidden en Hij zal zeker ons lijden verlichten (Kesser Shem Tov 109). Daarnaast is bij iedere smart, of het nu fysiek of geestelijk is, een G’ddelijke vonk aanwezig. Onze traditie leert: wanneer iemand in pijnt is, wat zegt de Sjechinah hierop? “Auw, mijn hoofd! Auw mijn arm!” (Chagigah 15b). Dat is – wanneer de Sjechina met de persoon meelijdt, – voor de mens – zij het in een verborgen staat – de G’ddelijke vonk. Wanneer de mens beseft dat Hasjem met hem is, verdwijnt deze verborgenheid en zal de pijn afnemen (Ohr haganuz L’Tzaddikim, Vayeitzei).

Anderzijds: Chafeets Chaïm zei wanneer iemand in Hasjem gelooft, zijn er geen vragen meer, en voor wie niet gelooft, bestaan er geen antwoorden. Omgekeerd mogen wij dan stellen dat wie vragen stelt emoenah – geloof en vertrouwen mist.

HET antwoord op lijden en al je levensvragen: „Ontwikkel je geloof!”

Bron:
Wresteling with the Devine van rabbijn Shmuel Boteach
Gered uit het vuur van Mosje Zwi Laufer
Waar was G-d? van Hoor-Israël
Een zinvol leven, de wijsheid van de Rebbe van Menachem Mendel Schneerson
Mijn liefde voor de Talmoed van Elie Wiesel

©FAQ-online 2008