Eerbewijs aan ouders

geschreven door Rabbijn Chaim Morgenstern

Het voorrecht en de uitdraging

Een zekere rabbijn hoorde, laat op een avond, na Ma’ariv het volgende gesprek:
„Wanneer je mijn kant uitgaat, kan ik dan met je meerijden?”
„Sorry, ik ga nog niet naar huis; ik ben op weg naar mijn ouders.
„Wat bedoel je? Ga je nu nog naar je ouders?”

Zeker. Zie je, nadat ik thuis kom van mijn werk en gegeten heb, help ik eerst mijn vrouw met de kinderen. Daarna ga ik naar mijn avond-sji’oer en dawwen ma’ariv. Als ik klaar ben ga ik naar mijn ouders. Ze zijn al oud en hebben soms hulp nodig om het huis aan kant te brengen of met kleine reparaties en dergelijke. Soms ga ik alleen maar even naar hen toe om hen te helpen de dag te beëindigen en naar bed te gaan.”

„Waw! Dat is enorm dat je dat doet. En dat nog zo laat! Doe je dat iedere week?”
„Wel, in feite ga ik iedere avond even naar hen toe.”
„Wat? Iedere avond?”

Deze uitroep van verbazing werd begeleid door een verwarde blik. Maar de andere man begreep de reden van deze verbazing niet. Hij antwoordde in alle eenvoud: „Ja, het zijn mijn ouders!”

Hier is iemand die niet alleen maar begreep dat hij verplicht was zijn ouders eer te bewijzen. Dit feit was zo elementair voor hem, dat hij niet kon inzien hoe iemand daar anders over kon denken.
Toen de Rabbijn dit verhaal vertelde tijdens een van zijn lessen, merkte hij op dat hij nog nooit zoveel geleerd had en nimmer zo sterk geïnspireerd was als door dit negentig-seconden durende gesprek.

Verheven en eenvoudig
Wanneer wij wat dieper in de mitswa van kibboed av waëem graven, zullen we ontdekken dat er twee aspecten zitten aan deze mitswa. Ten eerste vergelijkt Tora het eerbiedigen en respecteren van ouders met het eren en respecteren van Hasjem. Wanneer iemand zijn ouders eert, is het alsof de Sjechina bij hem woont en alsof hij de Sjechina geëerd en eerbied bewezen heeft (Kiddoesjien 31a).

Het belang van deze mitswa blijkt duidelijk uit het feit dat Tora het heeft opgenomen in de Aseret Hadibrot – de Tien Geboden. Bovendien noemden Chazzal deze mitswa chamoera sjebachamoerot – de ernstigste [of meest zwaarwegende] van alle.” Zij stellen het gelijk aan het houden van Sjabbat, het niet eten van chameets op Pesach en het niet spreken van Lasjon Hara (Talmoed Jeroesjalmi en Midrasj, aangehaald door de Chajei Adam 67:1). Dus net zoals mensen zorgvuldig zijn om niet Sjabbat te overtreden, en zelfs geen minimale hoeveelheid chameets in huis te hebben met Pesach en om geen lasjon hara te spreken, evenzo zorgvuldig zouden zij moeten zijn met de vervulling van de mitswa kibboed av waëem.

Dankbaarheid
Een ander aspect van deze mitswa komt voor in het Sefer Hachinoech (mitswa nr. 33) dat uitlegt dat de wortel van de mitswa van kiboed av waëem iemands verplichting is om zijn dankbaarheid jegens zijn ouders uit te drukken voor het feit dat zij hem ter wereld gebracht hebben. Dit gevoel van dankbaarheid ten opzichte van ouders wordt een opstapje naar de appreciatie van Hasjems goedheid. Door de erkennen dat Hasjem zijn fysiek lichaam geschapen heeft en hem zijn ziel en intelligentie gegeven heeft, wordt iemand gemotiveerd om zijn uiterste best te doen Hem te dienen. De Chajei Adam (67:1) voegt daaraan toe dat deze mitswa vergelijkbaar is met een schuld die men aan zijn ouders heeft voor al het goede dat zij voor hem gedaan hebben. Daar tegenover wordt een kind dat zijn ouders geen eerbied bewijst een rasja genoemd, net zoals iemand die zijn schulden niet betaalt, zoals er geschreven staat in Tehilliem/Ps. (37:21): „De rasja leent maar betaalt niet terug.”

Behalve het feit dat ouders aan een kind het leven zelf schenken, zijn de ontelbare overige gunsten die ouders typisch aan hun kinderen bewijzen meer dan de geest kan bevatten. De lijst is eindeloos, daar het grootste deel van het leven van ouders bezet wordt door de zorg voor hun kinderen. Een kind realiseert zich echter pas wat zijn ouders voor hem gedaan hebben, wanneer het zelf ouder wordt.
Laat ons even stoppen en denken aan de tijd die besteed werd aan het voeden, kleden en vasthouden van een kind. Voeg daar al de slapeloze nachten aan toe die gewaakt werden omdat het kind huilde of ziek was en al de keren dat een ouder thuis bleef alleen maar opdat het kind niet alleen zou zijn.
En dit is nog slechts een klein deel van het plaatje, want elk van deze chassadiem vereisen een hoop voorbereiding, zoals de inkopen en voorbeeidingen van het eten, het opruimen van de smeerboel die kinderen van hun eten maken, enzovoort. Dat alles behalve dat de vader het geld moet verdienen om de familie te onderhouden. Ouders zijn eigenlijk een soort chessed machines.

We kunnen een dieper inzicht krijgen in de gevoelens van dankbaarheid van het volgende verhaal:
Rav Jisraël Salanter kwam eens een restaurant binnen en bestelde een kop koffie. Toen hij klaar was met drinken werd hem een rekening gepresenteerd die hem exorbitant hoog leek. Hij betaalde, maar met een verbaasde uidrukking op zijn gezicht. De eigenaar begreep zijn gedachten en verklaarde: „U moet begrijpen, Rabbi, dat wanneer u een kop koffie drinkt in een restaurant, u niet alleen voor de koffie betaalt, maar ook voor het tafelkleed, de pluche stoelen, het uitzicht uit het raam en de plezierige atmosfeer. U kunt niet verwachten dat u daarvoor niet hoeft te betalen!”
Reb Jisraël drukte vervolgens zijn dankbaarheid uit voor de koffie en vertrok. Enkele ogenblikken later kwam hij terug en bedankte nogmaals. „Maar u heeft al bedankt”, zei de eigenaar verbaasd. „Dat is zo,” zei Reb Jisraël, „maar dat was voor de koffie, niet voor al die andere dingen die u heeft opgenoemd. U heeft mij een belangrijke les geleerd in hakarat hatov. Wanneer wij onze appreciatie kenbaar maken aan iemand, moeten wij rekening houden met al de details en omstandigheden die betrokken waren bij wat hij deed.”

Zo ook wanneer wij denken aan de dankbaarheid aan onze ouders, dan moeten wij rekening houden met alle inspanning die in iedere daad van chessed gestoken werd. Met dit in gedachten groeit de dankbaarheid aan ouders tot astronomische proporties.

Dit is deels de reden waarom het Sefer Hachi-noech ons vertelt dat een kind zich tot het uiterste moet inspannen om zijn ouders te eren en voor hen te zorgen in antwoord op hun inspanning voor hem. Dus kinderen zouden nooit moeten zeggen dat zij geen tijd voor hun ouders hebben, dat het te laat is om te worden gestoord of dat hun ouders soms iets vragen wat te moeilijk is om voor hen te doen. Zij zouden zich moeten herinneren hoe voor de ouders nimmer iets te moeilijk was of te laat om voor hun kinderen te doen. Hieven ouders ooit hun handen op en zeiden dat iets te moeilijk was om hun kinderen op te voeden?

Gelegenheden, geen lasten
De juiste benadering van deze mitswa is om het eren van ouders als een voorrecht te beschouwen in plaats van als een last. HaRav Awraham Pam vertelde eens over een kind dat gewoon was om te klagen: „Mijn moeder zegt mij altijd dat ik haar moet helpen. Zij zegt nooit tegen mijn broer dat hij haar moet helpen in huis. Het is altijd alleen ik en ik alleen. Alles rust op mijn schouders.” Rav Pam riep uit: „Welk een verschrikkelijke vergissing is de boosheid van dit kind! Als hij alleen maar de grootte van de mitswa van kibboed eem kon begrijpen die hem wordt aangeboden, dan zou hij zich niet alleen haasten om dat te doen, hij zou er zelfs erg blij om zijn dat hij die kans kreeg. Zijn beloning is tweevoudig. Behalve de beloning van een lang leven, wordt iemand die zich eraan houdt versierd met goede midot” (Atara Lamelech p.93).

Chazal vertellen dat hoewel Rav Avimi vijf zonen had, dat iedere keer wanneer zijn vader, Rav Avahoe, hem riep vanaf de poort riep om zijn komst aan te kondigen, hijzelf naar voren rende om de deur voor hem open te doen, terwijl hij tijdens het rennen alsmaar riep: „Ik kom eraan, ik kom eraan!” Ondanks dat Rav Avimi een groot Geleerde was, liet hij de plicht van kibboed av nimmer over aan zijn zonen, want het was te dierbaar voor hem. Chazal vertellen verder dat Rav Avahoe eens aan Rav Avimi vroeg om wat water, maar tegen de tijd dat hij dat bracht was zijn vader in gedoezeld. Rav Avimi bleef bij het bed van zijn vader staan met het water in zijn hand totdat hij ontwaakte.

Het is geen wonder dat Rav Avahoe placht te zeggen: „Mijn zoon Avimi volvoert de mitswa kibboed av perfect” (Kiddoesjien 31b en Meïri t.p.).

Eer in gedachte
Het eren van ouders doet men niet alleen met handelingen en woorden, zoals gedefinieerd wordt in de Shjoelchan Aroech, maar ook in gedachte. De Chajei Adam (67:3) legt uit dat wij onze ouders als achtenswaardige mensen moeten voorstellen, zelfs als anderen hen slechts als „gewone” mensen beschouwen. Hij zegt dat dit het meest essentiële onderdeel is van kibboed av waëem. Wanneer men geen grote eerbied voor zijn ouders heeft, dan is de eer die men hen bewijst in woord en daad onoprecht. HaRav Chaim Shmuelevitz zei dat een kind zijn ouders moet zien met dezelfde bewondering als hij heeft voor een gadol hador. Iedereen is op een of andere manier uniek en een kind moet trachten uit te vinden wat de unieke eigenschap is van zijn ouders waarin zij waarlijk groot zijn en daarop moet hij zich concentreren. Want anders, zelfs al eert hij hen op andere manieren, dan heeft hij de mitswa van kibboed av waëem niet naar behoren vervuld.
Rav Yoël Schwartz citeerde de Jalkoet Me’am Loëz, waar die schrijft dat als een kind ziet dat zijn ouders iets verkeerds doen, hij hen gunstig moet beoordelen, om op deze manier degradatie in zijn ogen te vermijden.
Een nog groter niveau van achting voor iemands ouders komt bij de mitswa van mora, ontzag. Een kind moet zijn ouders zien als een koning en koningin, wier wensen koninklijke commando’s zijn. Hij hoort nimmer zijn ouders ongehoorzaam te zijn, noch iets te doen dat hen verdrietig maakt (Rambam, Sefer Hamitswot, mitswot asei, nr. 211; Sefer Charediem 9:26).

Het volgende incident illustreert dit: Een nieuw restaurant had een feestelijke opening en het was er overvol van gasten. Een man zat comfortabel aan één van de tafels in het midden van het restaurant een sigaret te roken. Terwijl de rook de ruimte vulde, liep één van de gasten naar de eigenaar en vroeg hem tegen die man te zeggen dat hij òf moest stoppen met roken of naar buiten moest gaan, waar het andere mensen niet zou storen. De eigenaar antwoordde: „Dat is mijn vader; ik zeg hem niet wat hij moet doen!”

Het is duidelijk dat iemand eraan moet werken om zijn gedachten te richten op zijn ouders, totdat hij de nodige respectvolle gevoelens heeft ontwikkeld. Door van hun bij zichzelf een beeld op te roepen van grote en belangrijke mensen en door voor hen ontzag te hebben als voor een koning en koningin, zal hij de uitvoering van deze mitswa aanzienlijk verbeteren, zowel kwalitatief als kwantitatief. De juiste gedachten en een respectabel gedrag geeft ouders de grootste nachas en voldoening, zodat de mensen zullen zeggen: „Gelukkig is de ouder die zo een kind heeft groot gebracht” (Overeenkomstig Kitsoer Sjoelchan Aroech 143:21).

Naschrift: Overal waar sprake is van „kinderen” in dit artikel, geldt dat ook voor volwassenen wier ouders nog in leven zijn en die zelf reeds kinderen hebben.

Bron: Hoor Israël