Invloed van de Tora op de Europese Wetgeving

Geschreven door Dayan mr. Drs. R. Evers

De levensfilosofie van de Tora, zoals wij die millennialang door de bril van de Talmoed gelezen hebben, heeft het fundament gelegd voor de algemene wetgeving in het Westen. Het Jodendom heeft niet alleen een indringend effect gehad op de ontwikkeling van de westerse ethiek en het filosofisch perspectief van Europa, maar ook op de breedte en de diepgang van de wetgeving in de moderne samenleving. Inmiddels heeft de Europese Unie een eigen lijst van grondrechten gekregen. Deze zijn juridisch bindend voor de instellingen van de EU. In het handvest, de grondrechten van de Europese Unie, staan de volgende grondrechten verwoord:

De eerbiediging en bescherming van de menselijke waardigheid;
Het recht op onderwijs;
Het recht om te werken in elke lidstaat;
De eerbiediging van de verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal;
Het recht op rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en –voorwaarden;
Het recht op toegang tot sociale zekerheid en sociale bijstand;
Het recht op behoorlijk bestuur.

Onder waardigheid wordt verstaan dat de menselijke waardigheid onschendbaar is, dat iedereen recht heeft op leven en dat niemand tot de doodstraf mag worden veroordeeld. Verder heeft iedereen recht op lichamelijke en geestelijke integriteit. Dit betekent dat in het kader van de geneeskunde en de biologie de vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokkene moet worden nageleefd. Er bestaat een verbod op eugenetische praktijken en met name de praktijken die selectie van personen tot doel hebben. Opmerkelijk is het verbod om het menselijke lichaam en bestanddelen daarvan als bron van financieel voordeel te gebruiken. Bovendien wordt het reproductief klonen van mensen verboden. Uiteraard mag niemand worden onderworpen aan folteringen of vernederende behandelingen of bestraffingen. Dan bestaat er een verbod op slavernij en dwangarbeid. Mensenhandel wordt ook verboden onder de titel ‘waardigheid’. Niemand mag gedwongen worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten.

Vrijheden
Onder de vrijheden valt het recht op vrijheid en veiligheid. Dit betekent dat iedereen recht heeft op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie. Dan heeft iedereen recht op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens. En in Artikel 8 (Bescherming van persoonsgegevens) wordt gesteld dat gegevens eerlijk moeten worden verwerkt voor bepaalde doeleinden en met toestemming van betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Iedereen heeft toegang tot de over hem verzamelde gegevens en recht op rectificatie daarvan. Verder bestaat er een recht om te huwen en een recht om een gezin te stichten en bestaat er vrijheid van gedachten, geweten en godsdienst (Artikel 10). Belangrijk zijn natuurlijk verder de vrijheid van meningsuiting en informatie en de vrijheid van vergadering en vereniging. Iedereen heeft een recht op onderwijs, alsmede toegang tot beroepsopleiding en bijscholing.

Gelijkheid
Al deze vrijheden en rechten moeten de burger beschermen tegen een kwaadwillige staat. Een belangrijk voorbeeld daarvan staat in hoofdstuk 3 van het Handvest van de Europese Grondrechten onder het hoofdje “gelijkheid”. Natuurlijk is iedere discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnisch of sociale afkomst, verboden. Bovendien eerbiedigt de Unie culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid. Rechten van het kind worden geëerbiedigd. Daarnaast moet de gelijkheid van man en vrouw gewaarborgd worden op het gebied van werkgelegenheid, beroep en beloning. De Unie erkent en eerbiedigt het recht van personen met een handicap en maatregelen die beogen hun zelfstandigheid van maatschappelijke en beroepsintegratie en deelname aan het gemeenschapsleven te bevorderen.

Solidariteit
Verder worden er onder het hoofdje ‘solidariteit’ een aantal regelingen getroffen voor werknemers binnen ondernemingen en bestaat er een verbod op kinderarbeid. Het gezin geniet bescherming op juridisch, economisch en sociaal vlak. Verder is er iets als gezondheidsbescherming, wat inhoudt dat iedereen recht heeft op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging. Verder bestaat er milieubescherming en consumentenbescherming. In hoofdstuk 5 onder het hoofdje ‘burgerschap’ wordt het recht op behoorlijk bestuur geregeld. Dit houdt in dat iedereen er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijk termijn door de instellingen en organen van de Unie worden behandeld. In hoofdstuk 6 wordt de rechtspleging behandeld. In Artikel 49 wordt het legaliteitsbeginsel en evenredigheidbeginsel behandeld. Dit betekent dat niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakt op tijden dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd, dan die, welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit, van toepassing was.

Rechtsstaat
De Tora gaat er van uit dat een maatschappij zonder rechtssysteem geen lang leven beschoren is. Het voorschrift om een systeem van recht en rechtvaardigheid in te voeren geldt voor ieder samenleving ongeacht de gezindte. De vestiging van een rechtsorde vormt één van de Noachietische geboden, die tot de gehele mensheid gericht zijn.
De Tora werd aan een geheel volk gegeven. Het hoofddoel van de Tora is in eerste instantie niet het individuele zielenheil maar is veeleer gericht op het inrichten van een rechtvaardige samenleving. Alle aspecten en instanties van een Bijbelse samenleving moeten doordrongen zijn van een geest van liefdevolle rechtvaardigheid. De joodse wet schrijft eigenlijk voor, dat, indien men in een onrecht­vaardige en corrupte maatschappij leeft en er geen uitzicht op is, dat deze samenleving in de goede richting beïnvloed kan worden, men zo spoedig mogelijk de geboortegrond moet verlaten om een gemeenschap te vinden, die de idealen van de Tora dichter benadert.
De continuïteit van de wereld is gebaseerd op rechtvaardigheid. De joodse Wijzen zeiden eens: “Hij, die rechtvaardig rechtspreekt, heet G’ds partner in de Schepping”.

Een zachte aanpak van de misdaad is misdadig tegenover de rechtvaardigen
De Tora van liefde is tevens de Tora van gerechtigheid. Zo moet het ook zijn. In een maatschappij, waar onrecht getole­reerd wordt, kan liefde niet bloeien. In deze geest benadert de Tora het liberale dilemma.
Het resultaat is vaak dat meer consideratie wordt getoond voor de misdadiger dan voor het slachtoffer. De Tora leert, dat een zachte aanpak, die misdaad bevordert, slecht is en dat een harde aanpak van misdaad niet a priori slecht is. De joodse Wijzen stelden, dat “Hij die goed is voor wreedaardige mensen uiteindelijk wreed is voor de zachtmoedigen”. Dwang is soms noodzakelijk om crimineel gedrag een halt toe te roepen. In onze ‘permissive society’ blijft dit overigens een groot probleem.

De structuur van het Tora-recht
Het Bijbelse recht kent een geheel eigen structuur. In een theocratie is iedere heerschappij uiteindelijk voorbehouden aan het Opperwezen. G’d kent echter geen verplichtingen. De plichten richten zich op de mens. Mensen zijn tegelijkertijd subject en object van Bijbelse opdrachten. Door het navolgen van een G´ddelijk gebod volvoert men G’ds wil, hetgeen ervaren wordt als een geloofs­daad. Daarnaast kent ieder gebod ook een positieve bijwerking als neveneffect. Vertaald in juridische termen betekent dit, dat het niet de Staat is die de mensenrechten garandeert en handhaaft, maar dat dit overgelaten wordt aan iedereen indivi­dueel. Plichten worden vaak uitgedrukt in zeer algemene ter­men, waaraan door derden geen tastbare voordelen en rechten kunnen worden ontleend. Degene, die door een bepaald ge- of verbod beschermd of bevoordeeld zou moeten worden, heeft door­gaans geen juridische middelen om zijn (mensen)rechten af te dwingen. Zo bestaat er vanuit de Tora een plicht om te huwen en een gezin te stichten, maar deze plicht kan volgens veel Poskiem (Geleerden) niet worden afgedwongen. Maar de plicht tot het eerbiedigen van andermans eigendommen kan weer wel worden afgedwongen.

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
De positie van de mensenrechten in de Tora verschilt niette­min weinig van de status van de universele mensenrechten. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die slechts rechten en (behalve art. 29) geen plichten kent, is hiervan een goed voorbeeld. De mensenrechten worden in de Universele Verklaring erkend als zodanig maar geen van deze rechten is wettelijk afdwingbaar. Het zijn ‘leges nudae’, rechten op papier, die interessant zijn om te lezen maar weinig troost bieden voor het verdrukte en vervolgde deel van de mensheid.
De Verklaring zelf beschouwt deze rechten als algemene richt­lijnen voor de wetgevende machten bij het opstellen van gel­dende wetgeving; maar de Verklaring zelf verplicht de indivi­duen niet tot naleving en bindt Staten niet om ze uit te voeren.
Wanneer de mensenrechten in de beschaafde wereld gelijkgesteld worden met fundamentele vrijheden, waar iedereen in een rechtsstaat recht op heeft, is dat niet zozeer omdat zij werkelijk afdwingbaar zijn maar veeleer omdat zij inhoudelijk een weergave vormen van ethische en humane westerse waarden. Omdat de mensenrechten een juridische weerslag vormen van moderne zeden en opvattingen, maakt het eigenlijk weinig uit of zij gesteld zijn in de vormen van rechten en plichten. Daar erkenning van een recht een verplichting impliceert om dit recht te implementeren, heet de keerzijde van een mensenrecht een plicht.

Morele opvattingen
Evenals de rechten uit de Universele Verklaring de morele opvattingen weergeven van de oprichters van de Verenigde Naties, die genoeg hadden van oorlog, rechteloosheid, wreed­heid en lijden, zo zijn de Bijbelse plichten normen, die voortvloeien uit een rechtsorde, die geheel gewijd is aan de godsdienst. Gehoorzaamheid aan de wet is in de Bijbelse visie een geloofsdaad. G’d dienen is in praktische termen niets anders dan een constant bezig zijn met en zorgvuldig naleven van de opdrachten, die G’d de mens heeft opgelegd. Zelfs geloof in G´d, liefde en G´dsvrucht worden gezien als wettelijke verplichtingen. Zelfs verplichtingen, die geformu­leerd zijn in intermenselijke termen zijn wij in diepste zin aan G’d verplicht. De Tora kent dus eigenlijk geen wezenlijk onder­scheid tussen offer- en rituele voorschriften aan de ene kant en civiel- of strafrecht aan de andere kant.

Grondwet der Grondwetten
Het feit, dat een bepaalde norm intermenselijk gedrag regelt, vermindert het G´ddelijke karakter van de opdracht niet. Het is zeker geen toeval, dat de Tora in vorm van plichten de ware godsdienst is. Het Handvest van de Europese Grondrechten is ontleend aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Al deze opvattingen over normen en waarden zijn westers geïnspireerd. Mensen uit andere culturen zullen vaak weinig op hebben met deze grondrechten. Bij de behandeling van de vergelijking tussen de Tora en de mensenrechten, ga ik uit van de universele rechten van de mens, omdat dat de Grondwet der Grondwetten is. Bovendien toets ik het een en ander gaarne aan oorlogssituaties, omdat de voortdurende oorlogen in West en Oost Europa geleid hebben tot het opstellen van deze morele opvattingen over recht en wet.

Erkenning van de ander
Artikel 29, lid 2 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bepaalt, dat de uitoefening van mensenrechten slechts beperkt worden door wetten die het respect voor de rechten en vrijheden van derden beogen te beschermen of be­doeld zijn om de zedelijkheid, openbare orde of het algemeen belang te bevorderen. Erkenning van en respect voor de rechten en vrijheden van derden moet iedereen, die rechten voor zich­zelf opeist, altijd voor ogen staan. Dit leidende beginsel werd reeds in de Talmoed verwoord door Hilleel toen door een heiden gevraagd werd de hele Tora te onderwijzen, staande op één voet. Hilleel zei toen: “Wat gij niet wil dat U geschiedt, doe dat ook een ander niet; dit is de essentie van de wet – de rest is toelichting” (B.T. Sjabbat 31a). Wetgeving is gericht op zelfbeperking. Zelfbeperking is uiteindelijk erkenning en respect voor de eigen rechten.
In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staan veel onderwerpen, die ook in de Tora behandeld worden.

Het recht op leven
De Tora beschermt dit recht in Sjemot 20:12: “Gij zult niet moorden”, en in Bereesjiet 9:6: “Wie ‘s mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden want naar het beeld G’ds heeft Hij de mens gemaakt”.
Met name deze laatste woorden vormen een centraal thema in het Bijbelse denken. Het houdt in dat de mens gezien wordt als spiritueel wezen en in staat is tot goeddoen en liefde. Mense­lijk leven afbreken is daarom hoogverraad aan de Tora. Moord verdrijft de G´ddelijke aanwezigheid uit de wereld. “Hij die een mens doodt, vernietigt een hele wereld” (Sanhedrien 4:5). De jongste ontwikkeling op het gebied van abortus- en euthana­siewetgeving staan op gespannen voet met de Bijbelse visie op het leven.
In deze tijd wordt de waarde van het leven in brede kring met de mond beleden. Toch staat het leven niet werkelijk hoog in aanzien. Sommige ‘idealisten’ zijn bereid om honderden on­schuldige mensen te doden om hun doelen te bereiken. Velen keuren dit af maar kunnen er niettemin ‘begrip’ voor opbren­gen. Begrip voor misdaad is delen in het kwaad.

Waardevolle mens
De mens als product van een toevallige evolutie is van weinig betekenis. Maar een mens, gecreëerd door G’d voor een verheven doel, wint aan inhoud. Hier ligt de essentie van de Bijbelse benadering. In het Bijbelse denken is het verbod op doden absoluut van karakter en G´dgegeven. Maar de geschiedenis leert, dat veranderde ‘man-made’ overtuigingen tot rechtvaar­diging van genocide zonder weerga kunnen leiden, zoals aange­toond in de annalen van de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Joegoslavië.
Toch is de Tora niet pacifistisch. Oorlog is soms gerecht­vaardigd; strijd werd echter nooit verheerlijkt. De Bijbelse benadering van het oorlogsvraagstuk lijkt paradoxaal. Geweld mag toegepast worden om vrede te bewaren. Vrede staat hoog genoteerd in de Bijbelse waardenhiërarchie maar onder omstan­digheden is geweld een deugd. Dit geeft een verwarrend beeld. Ondanks de grote nadruk op vrede, spreken de oude joodse geschriften klare taal: “Wanneer iemand er op uit is U te doden, wees hem dan voor en dood hem eerst” (Sjoelchan Aroech I:329:6): “Wanneer vijandige troepen zelfs maar dreigen aan te vallen, gaat men hen gewapend tegemoet en is het zelfs toegestaan de Sjabbat­rust te ontwijden”.

Pacifistisch?
Omtrent de Tora stelt koning Sjelomo in Spreuken (3:17) dat “al haar paden vreedzaam zijn”. Dit lijkt in schril contrast te staan tot de oorlogswetgeving, waar zelfs een dreiging serieus genomen wordt en gestraft moet worden. Zelfverdediging is niet alleen geoorloofd, het is zelfs een plicht. Waarom werd zelfverdediging gezien als een religieuze opdracht?
De Tora en de vertegenwoordigers van de Bijbelse waarden werden door G’d in de geschiedenis geplaatst om in de loop der tijden bepaalde doelen te bereiken. De menselijke factor is hierbij onmisbaar. “U zijt mijn getuigen, zegt G´d, en Mijn dienaar, die Ik heb gekozen” (Jesjaja 43:10). Als volk van G’d zijn hun overtuigingen, moreel niveau en uiteindelijk fysieke bestaan een G´dsbewijs. Een verdedigingsoorlog wordt verplicht omdat de Bijbelse erfenis levend moet blijven. Anders dan in de parabel van de Goede Samaritaan, eist de Tora niet, dat wij onze doodsvijanden onvoorwaardelijk liefde betonen. Wel leert de Tora alleen wreedheid en slecht gedrag te haten maar niet de persoon. Ook onze vijanden zijn mensen. De Tora leert te vergeven en te vergeten. Religie verdraagt zich niet met langdurige haatgevoelens; maar dit laat het recht op zelfverdediging onverlet.

Strijdige instructies
Een soldaat staat soms in een klemsituatie, met name als hij lid is van een vredesmacht, zoals in Joegoslavië. Het gebod (Wajikra 19:16) “Gij zult niet werkeloos toezien bij het bloed van uw naasten” werd als een actieplicht opgevat. Wan­neer iemand in levensgevaar verkeert, moet alles gedaan worden om hem te redden, ook indien dit betekent dat zijn belager gedood moet worden. Indien men in de gelegenheid is om iemand te redden en dit nalaat wordt gelijkgesteld met bloedvergie­ten. Interessant is dat het zogenaamde Brahimi rapport (2000) van de VN tot een vergelijkbare conclusie komt: “Onpartijdigheid is niet hetzelfde als neutraliteit of als gelijke behandeling van alle partijen in alle gevallen, welke kan uitlopen op een politiek van appeasement”.
Wanneer nu de instructies van een soldaat uit de vredesmacht luiden “houdt U afzijdig” en de Tora in een concreet geval levensreddend optreden zou voorschrijven, moet G’ds woord prevaleren. De enige uitzondering hierop ligt wellicht in het overkoepelend belang van de geloofwaardigheid en neutraliteit van vredesmachten. Zouden zij de zwakste partij in ieder conflict telkens steunen dan zou hun rol en functie op de langere termijn snel ondergraven worden. Alleen hierin ligt enige rechtvaardiging voor het vaak passieve optreden van vredesmachten.

Het recht op vrijheid en privacy
In een wereld, waarin slavernij gewoon was en de motor van de economie vormden, zette de Tora de eerste stappen op weg naar een menselijke maatschappij. Onwettige vrijheidsberoving was een zeer zware overtreding, waarop de doodstraf kon staan. Meer dan 3000 jaar geleden proclameerde de Tora vrijheid voor slaven. In tegenstelling tot de conventies van die tijd, waarin voortvluchtige slaven teruggegeven werden aan meesters, schrijft de Tora voor, dat iedere slaaf van welke nationaliteit dan ook, die de grenzen van het Heilige Land bereikte, automatisch vrij was om de meest elementaire burger­plichten in acht te nemen.

Reclassering
De Tora kent inderdaad wetgeving op het gebied van de slavernij. Maar die is bijzonder humaan. Iemand kon alleen door de rechtbank als slaaf verkocht worden indien hij zijn schulden, ontstaan door diefstal, niet kon terugbetalen. Hij werd dan voor maximaal zes jaar verkocht en had gedurende de gedwongen werkperiode niet minder mensenrechten dan iedere willekeurige andere burger. In feite vormt de slavernij-wetge­ving een maatregel van reclassering. Als iemand aan lager wal raakt, belandt hij volgens de Tora niet in de gevangenis, maar wordt hij door de rechtbank in een goed-gesitueerd gezin geplaatst om opnieuw opgevoed te worden in de regels van mijn en dijn. Op dit terrein van de mensenrechten steekt de Tora met kop en schouders uit boven alle andere rechtssystemen.

Privacy-wetgeving
Ook met het oog op de privacy-wetgeving was de Tora zijn tijd ver vooruit. De grootste bedreiging van iemands privacy vormen zijn schuldeisers. In het uiterste geval kunnen zij – geheel rechtmatig – het huis van hun schuldenaar binnendringen en laten verkopen wat hun goeddunkt of zelfs het hele woonhuis laten veilen. Zij mogen het recht niet in eigen handen nemen maar deurwaarders en andere beambten kunnen dit wel. Alleen in de Tora staat een privacy-beschermende maatregel, die zelfs in onze moderne rechtsstaat (nog) onbekend is (Dewariem 24:10 e.v.): “Wanneer gij van uw naaste enige schuld te vorde­ren hebt, zult gij niet zijn huis binnengaan om een pand van hem weg te nemen. Gij zult buiten blijven staan en de man, die u schuldig is, zal het pand buiten bij u brengen”. Dit geldt zowel voor de crediteur als voor de deurwaarder. Waar het hier om gaat is niet dat de Tora verantwoordelijkheid voor financiële verplichtingen afzwakt. Schulden moeten zonder meer betaald worden en insolvabiliteit heeft in het Bijbelse denken dezelf­de gevolgen als in het West-Europese recht. Waar het wel om gaat, is de menselijke waardigheid, die in het geding is wanneer vreemden andermans gebied binnendringen. De Tora schrijft de debiteur voor de eer aan zichzelf te houden. Zelfs een ge­rechtsdienaar blijft buiten staan om het recht op privacy ongeschonden te laten.

Subtiele inbreuken
Niet ieder gedrag is in juridische termen te bevatten. Ook subtiele vormen van inbreuk op het privacy-recht hebben hun weg gevonden in de Talmoed (500 na de gewone jaartelling). Bij de vier gedragingen, die volgens Rabbi Sjimon bar Jochai (B.T. Nida 16b) verwerpelijk zijn in de ogen van G’d en onaan­genaam zijn in de ogen van de mens, hoort ook het plotseling betreden van andermans kamer, zelfs in het eigen gezin. Rabbi Akiwa zei: “Betreed je eigen huis niet onaangekondigd; dit geldt des te meer voor andermans huis” (B.T. Pesachiem 112a). Deze adviezen zijn gebaseerd op een Bijbelse passage in Bereesjiet (3:9). Voordat G’d zichzelf openbaarde aan Adam, vroeg Hij hem “Waar ben jij?” om hem niet te overrompelen. Een kwestie van goede manieren.

Burenrecht
Regelgeving ten aanzien van privacy-bescherming wordt verder gevonden in het burenrecht. De Talmoed erkent, dat iedereen het recht heeft op ongestoorde privacy ook wanneer dit slechts het zicht van anderen betreft. Voyeurs en nieuwsgierige Aagjes worden geweerd door de regel, dat buren geen ramen mogen aanbrengen, die hen in staat stellen bij het belendende per­ceel naar binnen te gluren (Bawa Batra 3:7). Maar er is meer….de privacy van persoonlijke correspondentie wordt gewaarborgd door een `cherem’, een instelling van Rabbenoe Gersjom uit de tiende eeuw. Vertaald naar onze eeuw betekent dit een verbod op het afluisteren van telefoongesprekken of openbaar­making van computergegevens, ook door regeringsautoritei­ten – behoudens in geval van (ernstige) verdenkingen van misdadige activiteiten of levensbelang.
In het leger kent een soldaat weinig privacy. Overal waar hij gaat, wordt hij omgeven door zijn strijdmakkers en begeleid door zijn commandant. Soldaten zijn in hun uniform niet meer herkenbaar als individuen. Dit kan leiden tot een verlies van eigen verantwoordelijkheid.
De Tora gaat uit van een absolute individuele verantwoorde­lijkheid. Ook op het slagveld geldt deze norm. Hoewel talloze ervaringen uit het verleden hebben uitgewezen, dat fatsoenlij­ke burgers, zodra zij hun uniform hebben aangetrokken en ­ten strijde trekken, een verminderd normbesef hanteren, schrijft de Tora het volgende voor (Dewariem 23:14): “Want uw G’d wandelt in uw legerplaats….daarom zal uw leger­plaats heilig zijn zodat Hij niets onbehoorlijks bij u ziet en Zich niet van u afwendt”. Menselijk blijven in de oorlog is een zware opdracht maar blijft geboden om verlies van indivi­dualiteit en zelfrespect – de diepere achtergrond van de privacy-wetgeving – te voorkomen.

Het recht om te trouwen en een gezin te stichten
Vanuit de Bijbelse traditie wordt het gezin beschouwd als de natuurlijke en meest fundamentele eenheid binnen de maatschappij. Het allereerste Bijbelse gebod draait om dit gegeven (Bereesjiet 2:18) “En G’d zei: Het is niet goed, dat de mens alleen is”. Vandaar de Talmoedische uitspraak dat een vrijgezellenbestaan niet goed is (B.T. Jewamot 62b). G’d heeft de wereld geschapen opdat deze bewoond zou zijn (Jesjaja 45:18). Het stichten van een gezin is niet alleen maar een recht maar eerder een reli­gieuze plicht. Daarom moet een man zijn vader en moeder verla­ten en zich hechten aan zijn vrouw (Bereesjiet 2:24). Volgens de Joodse traditie heeft men zijn plicht van voortplanting pas vervuld wanneer men minimaal één zoon en één dochter heeft.
Een man, die zich verloofd heeft met zijn bruid, maar nog niet met haar getrouwd is, is vrijgesteld van militaire dienst (Dewariem 20:7). In Dewariem 24:5 wordt verder nog bepaald, dat men na het huwelijk gedurende een heel jaar is vrijgesteld van alle diensten, dus ook van proviandering e.d. Deze vrijstellingen zijn imperatief en niet facultatief maar gelden niet in noodsituaties. Bij een reële bedreiging van de nationale veiligheid worden bruidegom én zijn bruid zelfs van onder het huwelijksbaldakijn gerekruteerd (Sota 8:7).

Stabiel gezinsleven
Een stabiel gezinsleven zou vanuit Bijbels perspectief niet alleen de geestelijke verzorger moeten interesseren; het is tevens van belang voor de maatschappij als geheel. Wanneer het gezinsleven in elkaar stort, ontbreken de meest essentiële voorwaarden voor de opvoeding van gelukkige, wetsgetrouwe en creatieve burgers van de toekomst. Het is belangrijk, dat ook onze jeugdige volwassenen van deze eeuwige waarheid doordron­gen raken. Overspel – zo vaak de oorzaak van problemen in het huwelijk – vormt in de joodse traditie één van de drie hoofdzonden waar­voor men eigenlijk zelfs verplicht is het leven op te offeren om dit verbod niet te overtreden. De Tora tilt er zwaar aan.
De huwelijksband vormt een delicaat complex van factoren van fysieke, psychologische, persoonlijke en emotionele aard. Een duurzame gehechtheid is meer dan alleen wederzijdse aantrek­king en kan alleen werken op basis van wederzijds vertrouwen. Wanneer deze basis wankelt, raakt de Bijbelse opdracht in het slop. Het morele fundament voor een gezonde opvoeding is onherstelbaar aangetast. Overspel ondermijnt het huwelijkse vertrouwen en dat is al voldoende om het een misdaad te noe­men. Het is een vergrijp tegen de heiligheid van het huwelijk, zowel op intermenselijk vlak als in de relatie mens-G´d. Het gaat in tegen de Bijbelse opdracht om binnen het gezin de basis te leggen voor een moreel verantwoorde maatschappij.
“Wat ik doe, is mijn privé-zaak” hoort men vaak. De Tora ontkent dit. Ook wat men voor zichzelf doet in de privé-sfeer heeft een breder effect. Ik kan mij niet schuldig maken aan drugsgebruik zonder dat dit een uitwerking heeft op ande­ren. Kleine oorzaken kunnen onvoorspelbare en grote gevolgen hebben. Het gaat hier niet over onbeduidende zaken. Wanneer wij de heiligheid van de man-vrouw relatie schenden, zijn de consequenties vaak niet te overzien.

Trouwen is geven
Sommigen zien het huwelijk als een strategie om ‘zoveel moge­lijk uit het leven te halen’. In de Tora is het huwelijk een altruïstisch instituut – een gelegenheid om zoveel mogelijk in het leven te stoppen. Een Tora-huis is een omgeving waarin Tora-studie, gastvrijheid en mensvriendelijkheid voorrang hebben boven alles.
De spirituele warmte van zo’n huis in de wijde omgeving be­speurbaar en veel jongelui maken daar voor het eerst kennis met de diepere inhoud van een levende religie en geloofsbele­venis. De discipline binnen een Bijbels huwelijk creëert de voorwaarden voor de opvoeding van mentaal en moreel stabiele kinderen, die zich bewust moeten worden van een hogere levens­opdracht en bestemming als ontluikende leden van een geloofs­gemeenschap. Hier is gehoorzaamheid geen toegeven aan wille­keurige grillen van de vorige generatie. In deze omgeving is volgzaamheid onderdeel van religieuze gehoorzaamheid, waarin ouders en kinderen gelijkheid delen. Wanneer kinderen zien hoe hun ouders hun eigen wil onderschikt maken aan de wil van het Opper­wezen, hoeft er geen generatiekloof te ontstaan. Het hoofddoel van een Bijbels huwelijk is kinderen voort te brengen, die bereid zijn de Bijbelse tradities over te dragen aan volgende generaties.

Religie heeft overleefd
Wat is de rol, de functie en de verdienste van het geloof na de Tweede Wereldoorlog? Misschien is haar voornaamste presta­tie, dat zij als stabiliserende factor is blijven voortbestaan ondanks de bedreigingen vanuit een overheersend materiële cultuur in het Westen en het drieste atheïsme in het Oosten. Sommigen benoemen onze tijd als ‘post-christelijk’ en de G’d-is-dood-theologie heeft enige tijd een korte doch populaire opleving aanschouwd. Kerkbezoek is minimaal en religieuze waarden worden steeds minder gehoord. Toch denk ik, dat wij met Kohelet, de Bijbelse Prediker moeten zeggen: “Was het vroeger wel zoveel beter?”

Religieus krediet
Religie heeft niet alleen overleefd als een krachtige factor in het wereldgebeuren, ook het G´dsbesef is nog steeds spring­levend. In Amerika verschijnt de tekst ‘In G’d we trust’ op ieder bankbiljet. Een ware synthese van materiële en geeste­lijke waarden…
Religie maakt een opleving door, zowel in positieve als in negatieve zin. Laat mij positief beginnen. In de afgelopen veertig jaar werden grote politieke en sociale bewegingen geïnspireerd door religieuze idealen en leiders. In Amerika werd de burgerrechtbeweging uit de zestiger jaren geassocieerd met dominee Martin Luther King; in Zuid-Afrika met aartsbis­schop Tutu. In Polen was de populariteit van Solidariteit verbonden met de katholieke kerk en worden de maatschappelijke veranderingen ongetwijfeld beïnvloed door de persoonlijke invloed van de huidige Paus. Hetzelfde kan gezegd worden van verschillende Zuid-Amerikaanse landen.
Positief zijn verder de radicale verbeteringen in de betrek­king tussen de verschillende geloofsgemeenschappen. Met name in deze laatste sfeer wil ik stellen dat indien deze naoorlog­se ontwikkelingen duizend jaar eerder hadden plaatsgevonden mil­joenen mensenlevens bespaard zouden zijn gebleven.

De debetkant
Maar religie heeft in de laatste veertig jaar ook zijn nega­tieve kanten getoond. Met pijn in het hart moet ik toegeven, dat de bloedigste oorlogen werden aangewakkerd onder het mom van religie in de naam van het geloof. De strijd in Noord-Ierland, de Golfoorlog, de burger­oorlog in Soedan en de conflicten tussen India en Pakistan waren in essentie religieuze fricties. Hetzelfde geldt voor de strijd in Kosovo, Darfur etc.
Eveneens moet aan de debetzijde worden toegevoegd het tragi­sche feit dat verschillende religieuze leiders geweld hebben gebruikt, gepropageerd of verontschuldigd – voor politieke doeleinden met vaak bijzonder ernstige gevolgen. Dit gedrag dient veroordeeld te worden met name als de agressie gericht is tegen onschuldige burgers.

Paradox en progressie
Toch zijn wij juist aan het begin van de één en twintigste eeuw getuige van een paradoxaal fenomeen. In deze tijd, waarin alom geklaagd wordt over een verminderd moreel besef en toene­mende onveiligheid, zien wij niettemin duidelijke verbeterin­gen en vooruitgang op het gebied van sociale rechtvaardigheid en intermenselijke verdraagzaamheid, die sneller en grootscha­liger dan ooit tevoren plaatsvinden. Dekolonisatie leidde tot meer vrijheid; de welvaartsstaat zorgt nu voor de zieken, ouden van dagen en werklozen, die vroeger werden verwaarloosd. Massamedia kunnen in mum van tijd miljoenen burgers mobilise­ren in de strijd tegen onrecht, verdrukking en hongersnood, ook op grote afstand. Mensenrechten – als term voor de oorlog onbekend – staan als nummer één op de internationale agenda van vele wereldconferenties. Met recht kunnen wij stellen, dat wij in een veel zorgzamere samenleving verkeren dan de genera­ties voor ons. De enorm toegenomen, naoorlogse internationale samenwerking in lichamen als de Verenigde Naties en de EEG was ondenkbaar voor de Tweede Wereldoorlog. Broederschap tussen volkeren is tegenwoordig een duidelijker realiteit dan ooit tevoren.

Religieus van aard
En hier ligt de grote paradox. Al deze basisprincipes van solidariteit, medemenselijkheid, gelijkheid en vrijheid zijn oorspronkelijk religieus van aard. Wij hadden mogen verwach­ten, dat deze progressieve krachten in het wereldgebeuren uit religieuze kringen zouden ontspruiten. Weinig in deze sfeer was echter duidelijk religieus geïnspireerd. De rol van het religieuze leiderschap in de vooruitgang, geboekt op het terrein van de Mensenrechten, was marginaal. De massacommunicatietechnieken droegen meer dan enige spiritualiteit van religies bij aan de bezorgdheid in het geïndustrialiseerde Westen om de hongersnood in Biafra, Ethiopië of Soedan, de oorlog in Vietnam en de apartheid in Zuid-Afrika. Het initia­tief voor deze opmerkelijke ontwikkelingen en de verhoging van het morele verantwoordelijkheidsbesef kwamen voornamelijk uit profane en humanistische hoek.

De taak van de religie tegenwoordig
Toch kan de religie ook vandaag de dag een vitale rol spelen. Religieuze doelen reiken hoger. Religie leert ons – in haar eigen taal – dat de mens “niet alleen op brood leeft”. Zelfs indien al onze economische en sociale problemen opgelost zouden zijn, zouden wij bij lange na niet volmaakt zijn. De mensheid zou noch gelukkiger noch edeler zijn geworden. Het gestegen sociale geweten van de mensheid mag dan wel voornamelijk worden toegeschreven aan profane krachten maar het is tegelijkertijd het gebrek aan spirituele dimensie, die deze nieuwe en verheugende ontwikkeling weer bedreigt. Drugs­gebruik, jeugdcriminaliteit, terrorisme, schaamteloze promis­cuïteit en economische uitbuiting van vroegere koloniën zijn slechts enkele voorbeelden.
De onmacht van het religieuze leiderschap verklaart wellicht hoe het zover heeft kunnen komen, dat een toenemende interna­tionale zorg en bezorgdheid zo weinig oog heeft voor schip­breuk lijdende huwelijken en troosteloze werkloosheid op de thuisbasis. Ook de activisten voor een betere wereld behoeven geestelijke richtlijnen om hun inspanning en doelen te ondersteunen en de moeite waarde te houden. Campagnes voor mensenrechten verliezen waarde wanneer hun voormannen gedemoraliseerd raken door zinledigheid of ongevoe­lig raken voor geweld of zedeloosheid omdat dit nog steeds de hoogste vorm van vermaak vormt in de media.
De wereld van vandaag toont een verwarrend beeld. De wereld is rechtvaardiger dan ooit en is wars van kunstmatige verschillen en discriminatie. Toch wordt de kloof tussen rijkere en armere landen steeds groter. Niemand lijkt zich werkelijk op te winden over de hongersnood, die 900 miljoen wereldburgers bedreigt of de wapenwedloop, waaraan twintig maal meer geld wordt besteed dan aan hulp voor de Derde Wereld.

Het morele tekort
Arbeidsbesparende technologie stelt ons tegenwoordig in staat om meer tijd te besteden aan geestelijke ontplooiing. Maar wat doen we met onze vrije tijd? Men had mogen verwachten, dat de mensheid een meer ontspannen en rijker cultureel leven zou leiden en meer tijd zou wijden aan spirituele doelen. De feiten lijken een andere richting op te wijzen. De werkende klasse is drukker dan ooit tevoren en het niet-werkende deel van de bevolking doodt zijn tijd met klachten en frustraties. Ook ons normbesef verkeert in een deplorabele situatie. Goed­bedoelende liberalen besteden meer tijd en aandacht aan crimi­nelen dan hun slachtoffers. Pleitbezorgers van volledige persvrijheid verdedigen een nietsontziende pornografie en kwaadaardige journalisten, die hun hand niet omdraaien voor karaktermoord en haatcampagnes, terwijl de gezagsgetrouwe meerderheid zich op straat steeds onveiliger voelt.
Grosso modo zijn de mensenrechten gericht op herstel van duurzame vrede op ieder niveau van de menselijke samenleving. Maar wat is vrede? Vrede ligt binnen handbereik. Vrede begint bij onszelf. Vrede is de zielenharmonie, waarin tegenstrijdige innerlijke drijfveren in harmonie opereren, agressie en liefde een gulden middenweg bewandelen. Rabbijn Jitschak Arama (18e eeuw) stelt, dat vrede in de zin van ‘geen oorlog’ de rijkdom van dit begrip te kort doet. Vrede is iets positiefs, het medium dat mensen met verschillend temperament en tegenstrij­dige opvattingen in staat stelt samen te werken voor het gemeenschappelijk welzijn. Individuele deugdzaamheid verduis­tert in isolatie. Vrede brengt alle individuele inspanning samen en vergroot zijn luister. Daarom is Vrede een naam van G´d, omdat Hij de hele schepping verenigt.
De mensheid ondergaat een tergend langzame evolutie. Met vallen en opstaan rijpt onze verdraagzaamheid. Oorlog en geweld zijn slechts symptomen van onze existentiële gebroken­heid. De recente internationale ontwikkelingen ondersteunen echter de profetische visie van Jesjaja, waarin de mensheid volwassen wordt en toegroeit naar het punt dat “geen volk meer het zwaard zal opheffen tegen een andere natie en men elkaar geen oorlog meer zal leren”.
Religie roept hoop op, speciaal in onze generatie van gelaten­heid en wanhoop. Alleen met een G’dsdienstig vertrouwen op een betere toekomst van uiteindelijke verlossing van alle mense­lijke tekortkomingen in de dagen van de Masjiach zullen vele hindernissen en obstakels verdwijnen.

©Dayan mr. drs. R. Evers