Toetreden tot het Jodendom [ĝioer]

Geschreven door de redactie

עַמֵּךְ עַמִּי, וֵאלֹהַיִךְ אֱלֹהָי

jouw volk is mijn volk en jouw G’d is mijn G’d!

Lees ook:
Gilgoel: reïncarnatie van de zielen » Waarom gilgoel?
Joods-zijn door keuze: de Geriem en reïncarnatieleer
ĝioer – overgang tot het Jodendom van Dayan mr. Drs. R. Evers

“Niet als een ger dat toegetreden is tot het Jodendom, maar als een voldane Jodin heeft dit geschreven. Ik maak liever geen gebruik van het woord ‘ger’, omdat ik niet het gevoel heb dat ik tot het Jodendom ben toegetreden. Wat ik werkelijk voel is dat ik ‘thuis ben gekomen’.

… Nee, ik ben niet toegetreden. Ik zocht, ik werd geïnformeerd, ik werd verwelkomd. Ik was overtuigd. Ik ben thuisgekomen.”

— Frances Price —

Alvorens wij beginnen met dit artikel over het toetreden tot het Jodendom, lijkt ons juist verhelderend om eerst te ontdekken hoe de Rebbe ZT”L over het toetreden tot het Jodendom dacht en wat hij onderwees hoe wij tegen toegetreden Joden moeten aankijken. De Rebbe ZT”L maakt gelijk duidelijk wat ĝioer in essentie is, waardoor enige uitleg overbodig zal zijn.

De Rebbe over het ĝioerproces [toetreding tot het Jodendom]
Wanneer iemand een rabbijn benadert om ĝioer te doen, moet de betreffende persoon eerst met zijn eigen respectievelijke geestelijke begeleider [waarin hij is opgegroeid of enige band mee heeft] nagaan waar dit verlangen vandaan komt en wat de oorsprong van dat verlangen is. Wanneer hij na overleg met zijn eigen geestelijke begeleider weer terugkomt en zegt dat hij nog steeds Joods wilt worden, moet er gezorgd worden dat de persoon in aanraking komt met iemand die hem op een authentieke wijze het Jodendom kan bijbrengen.

Er moet een periode zijn van lernen, maar ook hem iedere keer op de moeilijkheden te wijzen om Joods te worden. Ook moet er gewezen worden hoe moeilijk het is om je eetgewoonten te veranderen, dat bezigheden op de Sjabbat heel anders zijn. Hij moet gewezen worden op alle tegenwerkingen die hij zal ondergaan wanneer hij zijn levensstijl zodanig verandert waardoor hij volledig vertrouwd raakt in wat hij wilt worden. Vanuit dat perspectief zullen menigeen zelf tot het besluit komen dat het Jodendom niet voor hem bestemd is.

Mocht een bepaald persoon dan toch door willen gaan, zorg dan dat hij bij een competente rabbinale autoriteit komt die in staat is hem in een bepaalde positie te manoeuvreren waarin zij wellicht ĝioer kunnen doen. En dan, na de ĝioer moet erkend worden dat wat er heeft plaats gevonden géén ĝioer is, want het woord ĝioer – toetreding/bekering – suggereert namelijk een verandering die in het individu plaats heeft gevonden. Wanneer iemand [namelijk] volgens de Halacha [Joodse Wet] tot het Jodendom toetreedt, worden zij als “een bekeerling die bekeert” beschouwd.

De Joodse Wet ken wel andere veranderingen van een persoonlijke status: een minderjarige die volwassen wordt of een dienaar die vrijkomt. Wanneer het een bekeerling betreft, beschrijft de Joodse Wet hem niet als een ‘goj die toegetreden is’, maar ‘een bekeerling die zich bekeert’. Hoe zit dit?

Het Hebreeuws kent woorden met de tegenstellingen waarvan het laatste onveranderlijk uit een ander Hebreeuwse wortel komen. Voorbeeld. Een dienaar dat vrij komt is ‘eved sjemesjoechrar. Hier is sprake van twee verschillende Hebreeuwse wortels: ‘eved; dienaar en mesjoechrar; bevrijd. Allebei verschillende wortels. Of je hebt een arme man dat rijk wordt: ‘ani sjemeoesjar. Ook hier is sprake van twee verschillende wortels: ‘ani ‘iesj [arme man] en ‘asjir ‘iesj [rijke man]. Maar wanneer het om ĝioer gaat, krijg je ‘ĝer sjenisĝajer’. Zij hebben wel dezelfde stam, welke “een ĝer die ĝioer doet”.

De logische vraag zou dan vervolgens zijn: “Voordat hij zich bekeert, dan was hij [toch] geen bekeerling, maar iemand die tot een niet-Joodse natie behoorde?” De Commentaren leggen uit: Wanneer iemand eenmaal bekeerd is, bewijst die toetreding dat hij altijd al een Joodse vonk bezat. Hij moest door een ĝioerproces heen om in het Jodendom te kunnen integreren, maar ook om de verantwoordelijkheid en de verdiensten van de Tora en de mitswes te kunnen verdienen, maar hij was altijd een ĝer met een Joodse vonk.

De Rebbe legt vervolgens verder uit dat dit beginsel voor alle Joden op andere gebieden hetzelfde gelden. Denk aan wanneer iemand een mede-Jood de goede kant in het Jodendom probeert te sturen. De Rebbe geeft concreet het bijvoorbeeld van het betrokken raken in de verlangen naar ‘ad mosai’ [wanneer zal de Mosjiach eindelijk komen] zoals de RaMBaM het heeft beschreven “ik verwacht zijn komst iedere dag – Anie ma’amien, be’emoena sjelema”. Dat verlangen en smeken naar G’d zorgt ervoor dat de telg van Dawied, Jouw knecht, snel zal bloeien”. Een Jood heeft gewoonweg op bepaalde momenten motivatie, aanmoediging of overtuiging nodig om serieus over de Verlossing na te denken en hier enthousiast over te zijn. De waarheid is dat een iedere Jood in deze situatie “een ĝer” is “die zich bekeert”. Dit is [namelijk] niet iets nieuws of vreemds voor hem, want het geloof in de Mosjiach is een van de Dertien Geloofsartikelen van de RaMBaM is hem bekent. Iedere keer wanneer wij Birkat Hamazon benchen en drie keer per dag in onze gebeden G’d smeken om de Mosjiach te sturen, is iedere Jood vanuit dit oogpunt en op dat moment ongetwijfeld een ĝer. Hij heeft alleen hulp nodig om die noodzakelijke stappen te doen om dit [verlangen] op de voorgrond te brengen. En dan zal het duidelijk worden dat hij het altijd in zich had. En in die mate is het zoals de weldoener doet voor de arme en de arme voor de weldoener doet: de Jood die jij inspireert, zal op zijn beurt jou inspireren.

Voor degene die erg voorzichtig zijn met de status van een ĝioerkandidaat of een ĝer, stelt de Rebbe de volgende vraag: “Is het gepast je te mengen in zaken van een mede-Jood?” Hij legt uit dat wanneer het te maken heeft met de plichten en de verboden van de Tora, dan heb je geen keus. Je moet dan naar hem toe te gaan en hem uit te leggen: “Kijk. De Tora draagt mij op jou in het Jodendom te doen groeien” – “mijn mede-Jood in liefde te vermanen” [Misjlee/Spr. 28 en Wajjiqra/Lev. 19]. Vervolgens moet je hem na die voorzichtige vermaning “met de linkerhand” hem “met de rechterhand naar je toe te trekken” [Yalkoet Sjimoni, Roeth 1:601].

De Rebbe gaat verder met de opmerking dat wij [in het verleden] nooit mede-Joden, [groot]vaders of rabbijnen in de synagoge ‘ad mosai’ – “we hebben de Mosjiach nodig” – horen roepen. Waarom zei de Rebbe dit? Omdat de Rebbe dit ook niet van zijn vader en grootvader gehoord heeft. Zelfs toen de Rebbe in de Verenigde Staten aankwam, verkondigde hij dit in de eerste instantie ook nog niet. Maar toen de Rebbe zag dat zelfs kleine kinderen “Daloi galoes – genoeg van de ballningschap” riepen, wist hij dat zijn campagne goede vruchten heeft afgeworpen. Te meer wanneer hij volwassenen dezelfde verlangen en dezelfde wens hoorde uiten?

[Dus] wanneer hij [de ĝioerkandidaat] toetreedt, wordt hij beschouwd als een ‘opnieuw geborene’, maar zelfs voordat moment had hij al op dezelfde manier als ieder andere Jood – die voor zijn geboorte in de baarmoeder de hele Tora door een engel onderwezen kreeg – een band met de Tora. Hij had het [ook] al in zich en hij verlangde hier [ook] naar.

Daarom is het belangrijk wanneer er een ĝioer volgens de Halacha [Joodse Wet] plaats vindt, dat het erkend wordt dat de ziel altijd al Joods is geweest. Niets is ‘toegetreden’, niets is veranderd om de redenen die de Almachtige het meest bekend mee is. Deze ziel is geïncarneerd in deze specifieke omstandigheden van een niet-Joodse moeder. Dit is de gilgoel [lees hierin ‘missie’] en test voor deze ziel. De Joodse vonk in die ziel en het Joods willen worden, is na de ĝioer de erkenning dat hij altijd al een Joodse ziel is geweest. Daarom wordt in de Halacha aangespoord de ĝer meer eer te geven dan iemand die Joods geboren is, omdat deze ziel een veel zwaarder test heeft moeten ondergaan en ook nog eens voor de test is geslaagd.

Daarom moet en kan de ĝioer alleen via een orthodoxe rabbijn verlopen, omdat alleen volgens een ĝioer volgens Halacha men zeker kan weten dat de ziel een echte Joodse ziel is. De halachische ĝioer is de enige externe mechanisme die sterfelijke mensen hebben om in staat te zijn iets wat van nature spiritueel van aard is te ontdekken of de ziel werkelijk een Joodse ziel is. En wanneer de ĝer niet kèhalacha [volgens de halacha] is uitgekomen, zal men dit nooit weten.

Ĝioer in de Tora
Roeth en Naomi

Rabbinale procedures zijn ten tijde van Mosje in de woestijn ingegaan toen de eerste Sanhedrin werd opgericht. Echter het was Hasjem die de procedure voltrok, immers er staat geschreven dat Avraham “Hebreeër” werd genoemd. Avram ha’ivrie staat er in de Bijbel. Ha’ivrie is afgeleid van ‘ever: de ándere zijde. Letterlijk van de ándere kant van de Eufraat naar Kena’naan. Avram was spiritueel en moreel aan de andere kant van de zijde. Rechtvaardigen raken vaak – doordat zij zich afzonderen – geïsoleerd. Onze geleerde Radak leert ons daarnaast dat alleen de nazaten van Avraham Ivriem werden genoemd omdat zij als afstammelingen van Ever (zoon van Sjem, kleinzoon van Noah) waren en zij uitsluitend Hebreeuws spraken. Ever’s ándere nazaten spraken Arameens en waren de Arameeërs.

Toen Avraham voor het behoud van Sdom en Gemorra dawnende (bad), bewees hij zich dat hij de eerste Hebreeër was door te laten zien wat het woord ‘Hebreeër’ exact inhoudt: ‘ever; oever. Joden moeten ten opzichte van de wereld op de ene oever staan en de niet-Joden staan op de andere oever. Hij deed dit door Hasjem bij anderen bekent te maken. Hij durfde tegen Hasjem in te gaan met betrekking tot het lot van Sdom en Gemorra. Toen hij uit zijn land trok om Hasjem’s opdracht invulling te geven door naar Erets Jisrael te trekken, nam hij veel baalei tesjoeva’ (mensen die tot ‘bekering’ kwamen) mee. Dat hij vervolgens het land Israël in moest trekken is het tweede bewijs dat hij Joods was (geworden).

Het verhaal van Roeth en Naomi die wij tijdens Sjavoe’ot lezen, is niet het eerste ĝioer-verhaal die wij in de TeNaCH tegen komen. Verondersteld mag worden dat Rivqa de eerste ĝioret is, omdat er namelijk aangenomen wordt dat haar nichtjes Lea en Rachel ook ĝioer gedaan hebben.

Toch is het verhaal van Roeth de bekendste ĝioerdocumentatie in de TeNaCH.

Timnah
Een minder bekend verhaal is het verhaal van Timnah. Timnah was een dochter van een stamhoofd. Timnah was dus niet bepaald een ‘girl from next door’, maar had een goede afkomst. Omdat zijzelf persoonlijk over een hoog moraal beschikte, zocht zij een man die ook van goede afkomst was en een hoog moraal bezat. Zij vond die alleen in de familie van Avraham, Jitschak en Ja’aqov. Zij besloot ĝioer te willen doen om hopelijk binnen die familie te kunnen trouwen. Echter werd zij door het Bejt Din [onze drie Aartsvaders] afgewezen op grond van de niet juiste motivatie. Zo zijn er diverse redenen waarom iemand niet tot het Jodendom mag toetreden. Denk aan het aangetrokken voelen tot de Joodse Leer van een rabbijn of dat je verliefd bent geworden op een Jood.

De Alter van Slobodkeh leert in zijn Sefer Ohr Hatsafoen dat Avraham een naarstige zoeker naar ĝioerkandidaten was. Toch weigerde hij Timnah – ondanks haar goede voorkomenheid en zoektocht naar moraal – om ĝioer te laten doen, omdat hij verschrikkelijke karaktereigenschappen in haar zag. Zij is namelijk de moeder van Amaleq, de aartsvijand van Israel. Nu Timnah afstamde van Qain, kan dat de reden zijn waarom Avraham slechte eigenschappen in haar vond.

Timnah raakte verward en dacht dat de volgende verwantschap aan deze vooraanstaande familie dan een logische stap voor haar zou zijn. Zij ging het zoeken in de hoek van Esaw, maar ook Esaw weigerde haar. Uiteindelijk werd zij de bijvrouw van Elifaz, de zoon van Esaw, de broer van Ja’aqov. Esav blijft de zoon van grote Jitschak en de kleinzoon van de grote Avraham.

Zowel de Alter van Slobodkeh als Rav Feinstein Z”L geven aan dat de afwijzing van Timnah resulteerde in de geboorte van Amaleq. Daarom is Rav Feinstein Z”L van mening dat die afwijzing nooit had moeten plaats vinden. Hij leert dat wanneer je een halachische beslissing maakt, moet óók de Aggadah toegepast worden. Timnah voelde immers vanuit haar hoge gevoel van moraal aangetrokken tot het Jodendom, zonder de consequenties van Avodah Hasjem [het dienen van Hasjem] en de mitswes te kennen. Dit is iets wat in feite voor Bnej Jisrael niet bepaald vreemd was: na’ase wenisjma’… we zullen doen, we zullen gehoorzamen. Ook Bnej Jisrael zeiden eerst te doen en dan pas de concequenties van Avodah Hasjem en het doen van de mistwes te begrijpen. Sanhedrin 99b leert dat wij door het weigeren van Timnah gestraft werden met de geboorte van Amaleq.

R’Chaim Shmeulevitz zegt dat de combinatie van Eliphaz en Timnah niet alleen duisternis [chosjech] bevatte, maar dat het gecombineerd was met een licht [‘or] dat zowel Elifaz en Timnah hadden. Met andere woorden: Timnah was oprecht gemotiveerd om een ĝioret te worden, maar samen met dat licht, was daar ook een duisternis die zij niet konden elimineren. Deze combinatie met dat licht waren Elifaz en Timnah in staat een verschrikkelijke kracht voort te brengen [Amaleq]. Timnah voelde zich volledig afgewezen. Ze wilde haar status als prinses opgeven omdat ze realiseerde dat Hasjem de enige ware G’d is, maar ze werd bitter nadat ze niet op de manier werd behandeld dan dat zij verdiende. Amaleq pikte de grote teleurstelling en bitterheid van zijn moeder op en wilde haar verdriet en afwijzing wreken.

Roeth
Hetzelfde effect hebben we gezien bij de Moabitische prinsessen Orpah en Roeth [dochters van koning Eglon; nazaten van Balak]. Sottah 42b spreekt over de zonen van Orpah. Twee van de vier waren Goliat en Yishbi. Dus Dawied bestreed in Goliat zijn eigen achterneef. In ieder geval waren de beide broers vijandig ten opzichte van Israël. Zou Naomi daarom Orpah niet aangemoedigd hebben om ĝioer te doen omdat zij de slechte nazaten die ons bestaan bedreigde voorzag? Of was die dreiging het gevolg van de weigering van Orpah, zoals bij Timnah?

In tegenstelling tot Rabbi Uziël – die gemeend zou hebben dat een mikwe voldoende is voor een ĝioer – zou het ĝioerproces van Roeth niet zo eenvoudig geweest zijn. Er is toch makkelijk uit het verhaal op te maken dat Roeth door Naomi ontmoedigd werd doordat Naomi haar drie maal toe afwees [Roeth 1:8-9; 11-13, 15] . “Ga. Keer terug…”. Rabbi Shmuel Bar Chiya zei in de naam van Rabbi Chanina dat de drie keer ‘keer terug’ overeenkomen met de drie keren dat een ĝioer-kandidaat ‘afgewezen’ moet worden. Als hij dan toch terugkomt, moeten we hem accepteren. Rabbi Yitzchak zegt: ‘maar de vreemdeling zal niet zwerven in de straat, ik zal mijn deur voor de reiziger opendoen” [Ijov 31:32]. En: Iemand moet altijd me de linker hand wegduwen en met de rechterhand dichterbij brengen [Yalkoet Sjimoni, Roeth 1:601].Volgens de Alshich is dat precies wat Naomi met “Ga” [linker hand] en “Keer terug…” [rechterhand] deed. Hiermee testte Naomi of haar schoondochters oprecht waren in hun wens Joods te willen worden. Voor Orpah was het ‘ga’ voldoende om te gaan. Ze kuste haar schoonmoeder vaarwel en keerde terug naar land van herkomst en haar god [Roeth 1:15]. Toen Roeth eenmaal ĝioer gedaan had, ‘wandelden zij samen…’ zoals Jitschak en Avraham samen wandelden toen Jitschak geofferd zou worden [Bereesjiet 22:8]. Dat samen wandelen toont aan dat Avrahams intentie Jitschak te offeren in overeenstemming was met de wil van Jitschak omdat zij samen wandelen met een evenredig hart [Rasji]. Op dezelfde manier leert de Misdrasj ons de preciositeit van een ĝioer-kandidaat, aangezien Roeth werd vergeleken met Naomi’s rechtvaardigheid [‘wandelden zij samen’], zelfs vóórdat haar ĝioer door een Bejt Din werd geformaliseerd. Hierop zei Rabbi Abahu: “Kom en zie hoe dierbaar de proselieten voor de Kadosj Baroech Hoe zijn. Vanaf het moment dat zij [Roeth] haar hart op ĝioer deed richtte, zette het Schrift haar op dezelfde status als Naomi, zoals er staat geschreven: “en samen wandelden zij totdat ze in Beth Lechem aankwamen.” [Roeth 1:19; Jalkoet Sjimoni, Roeth 1:601].

Toen Naomi Roeth drie keer had afgewezen, riep Roeth: “Doe me geen pijn…” Het Hebreeuwse woord ‘al-tifĝe’i-vie komt van de drieletterige stam peh-ĝimmel-ajin, wat vaak vertaald wordt met ‘doden’ [1 Sam. 17:1; 1 Kon. 2:25]. Hiermee pleitte Roeth: “doodt me niet door me hier achter te laten” [Malbiem 1:16]. Zij wilde zo graag Joods worden, dat een permanente afwijzing een spirituele dood voor haar zou betekenen. En dan zegt ze: “Waar jij sterft, wil ik sterven, en daar wil ik begraven worden…want alleen de dood zal scheiding maken tussen mij en jou!” [Roeth 1:17].
“En Avraham zei tegen Lot: ‘laten we geen ruzie maken, tussen mij en jou, tussen mijn herders en jouw herders; want mannen die bróeders zijn, zijn wij!- ligt niet heel het land open voor je aanschijn?- scheid toch liever van mij; als het links is ga ik rechts en als het rechts is zal ik links gaan!” [Bereesjiet/Gen. 13:8-9]. Hiermee rectificeerde Roeth de scheiding tussen haar voorvader Lot met Avraham [Naomi].

Ĝioret Roeth werd uiteindelijk wel de overgrootmoeder van Dawied Hamelech. Van Dawied Hamalech zal uiteindelijk de Mosjiach voortkomen.

Ovadjah
Profeet Ovadjah was ook een ĝer. Geboren als Edomiet werd hij uiteindelijk Joods en behoort hij tot de “Twaalf Profeten”. Hij leefde ten tijden van Elijahoe Hanavi en en zijn leerling Elisjah. Ovadjah had het heldenmoed om maar liefst 100 profeten in een grot in leven te houden toen koningin Izevel hen naar het leven stond.

Aantal van onze geleerden
Gittin 56a en 57b vertelt over vijanden van Israël die naderhand Joods werden. Het eerste verhaal is het verhaal van Nero. ‘G’d zond tegen hen (Israël) Keizer Nero. Toen Nero aankwam schoot hij een pijl naar het oosten en deze viel in Jeruzalem. Hij schoot een pijl naar het westen en ook deze viel in Jeruzalem. Zo schoot Nero naar alle vier de richtingen van het kompas een pijl en iedere keer viel de pijl in Jeruzalem. Hij zei tegen een passerende jongen: “citeer voor mij het laatste vers van de Bijbel die je hebt geleerd.” [Ez. 25:14] De jongen zei: ‘Ik zal Mijn wraak via Mijn volk Israël op Edom aanrichten.’ Nero zei: ‘De Kadosj Baroech Hoe [de Heilige Geprezen is Hij] heeft het verlangen Zijn Tempel te verwoesten en de schuld op mij te leggen.” Nero ging weg en bekeerde zich tot het Jodendom. Rabbi Meïr was een afstammeling van hem.’ [Bavli Talmoed Gittin 56a].

Een ander verhaal gaat over de geschiedenis van generaal Nevoezaradan. Gittin 57b vertelt dat Rabbi Hiya ben Abin in de naam van Rabbi Joshua ben Korhah het volgende zei: “een ouder inwoner van Jeroesjalajiem vertelde mij dat in dit vallei Nevoezaradan [Nebuzar-adan], de aanvoerder van wachters, heeft tienduizenden en nog eens tienduizenden gedood en in Jeroesjalajiem heeft hij ook tienduizenden op een steen vermoord totdat zij uitgebloed waren en aan het bloed van Zacharjah aansloot, zodat de woorden “bloed raakt bloed” [Hose’a 4:2] zijn vervuld.

Hij [Nevoezaradan] zag dat het bloed van Zacharjah begon te borrelen en vroeg wat dit was. Zij zeiden: “Dit is het bloed van de offers die hier gebracht zijn.” Hij had wat bloed meegebracht, maar deze was anders dan het andere.
Hij zei tot hen: “als je me de waarheid verteld, prima, maar als je niet de waarheid vertelt, dan zal ik jouw vlees met ijzeren kammen van je afscheuren.” Zij antwoordden: wat kunnen we je vertellen? Er was een profeet onder ons die ons op onze goddeloosheid wees en wij stonden tegen hem op en doodden hem. Voor vele jaren was zijn bloed niet gewroken”

Nevoezaradan dacht het bloed van Zacharjah te kunnen bekoelen door de leden van de Grote en de kleine Sanhedrin te vermoorden, maar het bloed bekoelde niet. Hij slachtte vervolgens jonge mannen en vrouwen af en zelfs die van de kinderen kon het bloed niet ophouden met koken. Toen zei Nevoezaradan: “Zacharjah, Zacharjah, ik heb de beste onder hen gedood. Wil je dat ik hen allemaal vernietig?” Toen was het bloed bekoeld. Terstond kreeg Nevoezaradan wroeging en zei tegen zichzelf: “Als dit de straf voor het vermoorden van een ziel, wat zal er dan gebeuren als je vele hebt vermoord?” Hij vluchtte, deed al zijn bezittingen weg en werd Joods.”

Andere grote geleerde dat toegetreden is tot het Jodendom was Aquila/Onkelos en Rabbi Akiva stamt af van een ĝer: Akiva ben Yosef ben Avraham.

Ĝioer vanuit de Geleerden en de Tora benaderd
Oorsprong van oprechte ĝeriem
De oorsprong van onoprechte ĝeriem: het paard van Troje
Twee eisen [voor ĝioer]

Zowel Joden als niet-Joden zijn geschapen naar G’ds Evenbeeld en van beide houdt Hasjem. Zoals de Joden blij moeten zijn met hun plaats in de Schepping, zo moet een niet-Jood ook blij zijn met de plaats die hij heeft gekregen van Hasjem. Dit betekent dat niet-Joden de plaats van de Joden moeten proberen in te pikken en de plaats van de Jood dient te respecteren, maar ook zijn eigen plaats moet respecteren. Joden hebben een opdracht van Hasjem om het licht onder de volkeren te zijn. Dat is een taak en Hasjem rustte ons uit met kenmerken zodat wij onze taak naar behoren kunnen invullen. Deze kenmerken zijn speciale kwaliteiten en karaktereigenschappen die een onderdeel zijn van G’ds Plan. Israel’s functie als het Uitverkoren volk is een verplichting. Zij is uitverkoren om een functie te vervullen waarvan de gehele mensheid profiteert. Haar exclusiviteit betekent verantwoordelijkheid, haar talenten betekenen overtreffende kwaliteiten die door Hasjem allemaal zijn gegeven om haar taak te kunnen volbrengen.

De Chazal, onze Geleerden, leren dat wij samen – Israël en de naties – partners zullen zijn in de tijd van de Mosjiach. Bnej Jisrael zal zich richten op het onderwijzen over Hsajem en Avodah Hasjem. De naties zullen naast haar staan en genieten van de oogst, zowel materieel als spiritueel. Samen zullen we een harmonische wereld onderhouden die gestoeld is op wijsheid en chesed. Ondanks die samenwerking moet Israel ook dan zich onderscheiden van de volkeren, anders is zij niet goed in staat haar taak te vervullen. Dit zien we terug in Avraham. Avraham deed aan outreach, maar onderscheidde zichzelf duidelijk van andere mensen. Zo liet hij zijn nakomelingen niet toe dat zij een gemengd huwelijk zouden aangaan [Avodah Zarah 18b]. Ook ging hij niet met Kena’anieten om. “Gelukkig is hij die niet meegaat in het beraad van de slechten.” [Tehilliem 1:1]. De slechten waren de Sdomieten en de Filistijnen. De outreach activiteiten van Avraham was direct gericht op heidenen.

Ook de brit mila was duidelijk een onderscheiding tussen Avraham en de volkeren om hem heen, ondanks hij ‘vader van vele volkeren’ [Bereesjiet/Gen. 17:5] wordt genoemd. Juist de brit mila, wat hem zo onderscheidde, kon hij meer invloed uitoefenen. Juist de brit mila maakte van Avraham een leider en een Aartsvader.

“wenivrechoe becha kol misjpachos ha’adamah…door jou zullen alle families op aarde gezegend zijn” [idem 12:3]. ‘Nivrechoe’ ontleent zich van mavrich wat ‘enten’ betekent. Hier wordt niet bedoeld dat Avraham zich tot de andere families en volkeren moest voegen om hen te kunnen enten. Maar het ging middels ĝioer. En het enten ging ook middels gemengde huwelijken die Isjma’el en Esaw met de Kena’anieten aangingen. Toch oefende Avraham middels hen zijn invloed uit. Isjma’els invloed kwam in uitdrukking in de Islam en Esaw’s invloed via het Christendom.

Ondanks de Islam en het Christendom vervormde versies van Avrahams leer zijn, jagen zij de waarheid na en onthouden zij zich [zo goed en zo kwaad] op hun manier van afgoderij door deze af te schaffen. Daarom is RaMBaM van mening dat het Christendom en de Islam functioneren volgens het plan van Hasjem en functioneel zijn in het helpen het pad te bereiden voor de tijd dat de hele wereld Hasjem zal gaan dienen [Hilchos Melachim hfst. 12]. Hij is daarnaast van mening dat niet-Joden hierdoor bekent zijn geworden met Hasjems geboden, een factor dat de acceptatie van de Waarheid van de Tora in de Messiaanse Tijd zal faciliteren.

Zowel Hillel als Sjammai waren van mening dat de motieven van ĝioerkandidaten oprecht moesten zijn. Dit betekende niet dat zij voor bekering waren. In tegendeel. Joden hebben niet de verplichting te bekeren, want de Tora staat er negatief tegenover. Zo is het Joden verboden niet-Joden uit te Tora te doceren dat geen betrekking heeft op de Zeven Noachidische Wetten, die naar meer zijn uitgewerkt. Maar wanneer een niet-Jood aan de Jood uitleg vraagt omtrent de Zeven Noachidische Wetten, dan is de Jood verplicht hem te onderwijzen.

De bekende uitdrukking ‘ĝer sje’bah l’hisga’jer… de vreemdeling die een ĝer wordt…’ geeft aan dat de kandidaat zijn toetreding zelf moet initiëren. Zijn verlangen om tot het Joodse vol te horen moet vanuit wilskracht komen. Wanneer iemand uit kan komen, zijn oprechtheid heeft bewezen, is het een mitswe om hem nader tot je te trekken. Dit kennen wij nog van “Ga. Keer terug…”. De kandidaat moet nader tot je getrokken worden omdat er geschreven staat: ‘Ik ben degene Die Yisro dichterbij trok en hem niet afweerde. Dit geldt ook voor jou wanneer een persoon bij je komt om uit te komen en komt in het belang van de Hemel, trek hem dichter tot je en weer hem niet af.” [Yalkut Shimoni, Yisro 268].

Hasjem zoekt tussen alle mensen mensen met de fijnste elementen, met de nobelste spirituele kenmerken die dolgraag tot het Joodse volk willen toetreden. Toch is het niet bekeren van niet-Joden tot het Jodendom en Hasjems liefdevolle houding naar mensen die Joods willen worden, vormen geen contradictie in terminis met het feit dat Bnej Jisrael niet-Joden dus niet tot het Jodendom moeten doen bekeren. Het zijn twee niveaus waar Bnej Jisrael als Hasjem op acteren. De twee niveaus zijn afzonderlijk van elkaar, maar niet het tegenovergestelde. Talmoed Jeroesjalmi Berachot 2a leert “Wanneer Israël G’ds wil doet [dat wil zeggen, zich onderscheiden van andere volkeren], scant Hasjem het Universum op zoek naar rechtvaardige gojiem, en zorgt ervoor dat zij zich voegen [door middel van ĝioer] tot het Joodse volk. Dit betekent uiteraard niet dat Hasjem volksstammen ĝioer laat doen. Die kans hebben de volkeren al gehad toen Hij verscheen op Har Sinaj en het gros om verschillende redenen Zijn Tora geweigerd hebben. Sinds de Joden Zijn Tora wel welwillend aanvaarden [Na’aseh wenisjma…we zullen doen en we zullen horen.”], is Hasjem alleen opzoek gegaan naar unieke individuen onder de volkeren om hen naar Zich toe te trekken.

Oorsprong van oprechte ĝeriem
De RaMBaM stelt dat alle ĝeriem zichzelf als nakomelingen van Avraham mogen beschouwen. Avraham verhoogde niet alleen zijn generatie en zijn nageslacht op een hoger plan, maar ook de ĝeriem. Hij is de vader van degene die hem proberen te evenaren, ook van deze ĝeriem [Hilchos De’os]. Zoals eerder aangegeven, oprechte ĝeriem hebben bijzondere kenmerken waarnaar Hasjem opzoek was. Iemand die hierin een voorbeeld is, is de Poolse edelman Avraham ben Avraham. Hij leefde in de 18e eeuw. Hij deed ĝioer, maar moest dit met de dood bekopen omdat hij door de kerk ter dood werd gebracht. Toen hij stierf deed hij Kiddoesj Hasjem [heiligen van Hasjem’s Naam] op de meeste denkbare hoge niveau. Er wordt gezegd dat zelfs vóór zijn toetreding, ongedefinieerde gevoelens die getuigden van de grootheid van zijn geest, hem iedere Sjabbes hebben overweldigd.
Avraham ben Avraham werd zelfs terug getraceerd naar de ĝeriem toen Hasjem de Tora op Sinaj gegeven heeft! “[Sommige] individuen van de volkeren wilden het [de Tora] accepteren. Alleen doordat hun omstanders die de Tora weigerden, werd hiermee voorkomen dat de welwillende hun ambities [om tot het Joodse volk te behoren] niet gerealiseerd werd. De zielen van deze individuelen komen in alle generaties voor.” [Yehudi Mihu Mahu (Een Jood, Wie is Hij? Wat is Hij?) van Avraham Korman].

De Chazal heeft een ander perspectief over de oorsprong van de ĝeriem. “Ondanks de ĝer zelf niet aanwezig was bij Sinaj, zijn mazal was daar wel [Rasji in Megilla 3a]. Hier wordt ‘mazal’ iemands spirituele tegenhanger bedoelt die ieder mens in de spirituele wereld is toegewezen. Dit entiteit heeft het belangrijkste invloed op iemands lot in de lagere wereld [Sjabbos 146a].

De oorsprong van onoprechte ĝeriem: het paard van Troje
De oorsprong van ĝeriem waarvan de motieven onoprecht zijn, is veel moeilijker te traceren. Er wordt aangenomen dat zij afstammen van de Eirev Rav. De Eirev Rav waren een groep Egyptenaren die met de uittocht mee zijn gegaan en ĝioer hebben gedaan. Toch ligt hun oorsprong nóg verder terug.

[Note: Wij willen direct benadrukken dat wij alleen niet in staat zijn te oordelen of een minder goed gelukte gioer per definitie sprake is van een gilgoel [reincarnatie] van de Eirev Rav.]

Avraham had helaas een fout gemaakt door Lot te ruilen met de door hem gevangen genomen krijgsgevangen van Sdom tijdens de oorlog met de vijf koningen vrij te geven. In plaats dat hij de krijgsgevangen terugstuurde naar Sdom, had hij hen over Hasjem moeten vertellen [Mivtach Mi’eliyahu] door middel van zijn welbekende outreach en hen zelf laten beslissen wat zij met deze informatie zouden moeten doen. Hij heeft hiermee de krijgsgevangen ontzegd over de kennis van Hasjem. De zielen van deze krijgsgevangen kregen een ‘herkansing’ als Egyptenaren ten tijde van Mosje. Maar deze keer hebben zij het zelf verprutst door zich vast te blijven klampen aan avodah zara en het trachten Bnej Jisrael te verleiden met de eigel hazahav [gouden kalf]. Door de gehele geschiedenis heen hebben deze gereïncarneerde zielen veel schade aan het Joodse volk berokkend en het Joodse volk doen degenereren. Volgens de Tikunei Zohar Chadasj 37 zullen deze zielen in de voor Messiaanse-tijdperk zichzelf manifesteren als hoofden van het Joodse volk om te trachten om ons als volk geestelijk te ruïneren.

“Vierentwintig generaties, een bekeerling valt terug in zijn negatieve aspecten” [Yalkut Shimoni, Ruth 601]. Hier wordt dus verwezen naar niet-Joden die met valse motieven zijn toegetreden tot het Joodse volk. Deze motieven zijn voor ons verborgen, maar de resten uit het verleden zijn voor een lange periode van tijd bewaard in de genetische make-up van deze nakomelingen die onoprecht zijn [geweest]. Zelfs de wetenschap begint langzamerhand te erkennen de theorie dat niet alleen fysieke kenmerken, maar ook emotionele neigingen en karaktertrekken, erfelijk zijn.

Toetreden tot het Jodendom – ĝioer – is dus een uniek en persoonlijk proces. Wanneer iemand zich tot het Joodse volk toetreedt, krijgt hij een volledig nieuw identiteit en wordt hij een geheel volwaardig lid van het Joodse volk. Het is een wedergeboorte en die wedergeboorte is het omarmen van de waarheid en door die waarheid na te jagen zal zijn levensstijl volledig veranderen. Wanneer de waarheid niet zijn gehele levensstijl zal beïnvloeden, is niet oprecht.

Twee eisen
Het Joodse volk moet een eenheid vormen. Wanneer je gioer doet moet je van doordrongen zijn dat je een actief onderdeel wordt van een volk die zijn naaste als zichzelf liefheeft en zodra er verscheidenheid optreedt, kwetsbaar wordt. Deze verscheidenheid heeft ons de tweede Bejt Hamiqdasj en leven in Erets Jisrael gekost! Rabbi Tarfon zei eens: “De Joodse mensen zijn als een stapel walnoten. Wanneer één walnoot verwijderd wordt, is ieder noot op de stapel uit zijn evenwicht. Zo is het ook met een enkele Jood die in nood verkeert, elke andere Jood is dan uit zijn evenwicht.” Zo moet het Joodse volk dus zijn. Niemand moet zich van de rest afscheiden. Daarom is het Joodse volk een uniek volk.

De tweede eis waarin niet geconformeerd mag worden is het accepteren van het Juk van de Mitswot. De Sifri [Dwariem/Deut. 33:6] leert: “Voordat Hasjem de Tora aan Israel gaf, onthulde Hij het niet alleen aan Israel, maar aan álle volkeren. Eerst benaderde hij Bnej Esaw [de kinderen van Esaw] en zei: ‘Wil je de Tora accepteren?’ Zij antwoordden: ‘Wat staat er in?’ Hij zei tegen hen: ‘Je zult niet doden.’ Toen antwoordden zij: ‘Meester van het heelal, de diepste essentie van onze vader [Esaw] is dat hij een moordenaar is… Wij kunnen de Tora niet accepteren.’ Toen ging Hij naar Ammon en Moav en zei: ‘Wil je de Tora accepteren?’ Zij antwoordden: ‘Wat staat er in?’ Hij zei tegen hen: ‘je zult geen overspel plegen.’ Toen antwoordden zij: ‘Meester van het heelal, onze de diepste essentie komt van overspel… Wij kunnen de Tora niet accepteren.’ Toen ging Hij naar de kinderen van Jisjma’el. Zij vroegen: ‘Wat staat er in?’ Hij zei tegen hen: ‘Je zult niet stelen.’ Toen antwoordden zij: ‘Meester van het heelal, onze de diepste essentie is dat wij leven van diefstal en roof… Wij kunnen de Tora niet accepteren.’”
En Bnej Jisrael zei: ‘Na’aseh wenisjma…we zullen doen en we zullen horen.’ Deze Midrasj leert dat het accepteren van de Tora oprechte verplichting verlangt om alle geboden na te leven. Geen een uitgezonderd. Wanneer je die verplichting niet op je wilt nemen, is de acceptatie van de Tora niet valide. Daarom is de eerste vereiste om toe te treden de acceptatie van het Juk van de Geboden.

De essentie van het ĝioerproces
“Degene die een proseliet wordt, is als een opnieuw geboren kind”[Yevamos 22a]. Degene die op nieuw geboren is, heeft geen binding met zijn verleden. Praktisch en halachisch gezien zijn jouw biologische ouders niet meer jouw ouders [dit neemt niet weg dat Gebod 5 nog steeds op hen van toepassing is!].

Zoals eerder aangeven, kent het Jodendom geen missie of een vorm van ‘evangelisatie’. Daarom moet de ĝioerkandidaat zijn eigen weg vinden in de traditie [het hart, ziel en lichaam van het Jodendom], de spirituele diepten en leringen van het Jodendom. De tradities van het houden van Sjabbat, Jamiem Toviem, maar ook de dagelijkse mitswes, Torastudie, enz. vormen het raamwerk van het structuur van het Jodendom. Zonder deze tradities, die vastgelegd zijn door de Tora en de chachamiem [geleerden] zou het Jodendom een zwakke, holle woorden en lege zeeën zijn. Traditie is het blauwdruk van het Joodse dagelijkse leven. Dankzij deze traditie heeft het Joodse volk de ballingschappen, wreedheden en vervolgingen overleefd. Als je tot deze traditie wilt toetreden, moet je van te voren opgewassen zijn tegen de vooroordelen van niet-wetende niet-Joden en sommige Joden. Ook moet je -zoals in het vorge hoofdstuk aangeven – volledig de kabbalat hamitswes [halacha; de Joodse Wet] accepteren. Dit stopt dus niet bij de ‘Geschreven’ Tora.

Je zou denken dat ĝioer niet mogelijk kan zijn, omdat een man waarvan de vader geen kohen is zelf nooit een kohen kan worden. Hoe is het dan mogelijk dat iemand die niet van Aartsvaders en Aartsmoeders afstammen Joods kan worden? Dit betekent dat er sprake moet zijn van een wonder. Een niet-Jood die toetreedt tot het Jodendom wordt op een wonderbaarlijke wijze een onderdeel van het lichaam van Israël en dat betekent méér dan traditie en kabbalat hamitswot. De betrokken persoon moet zaad worden van de Aartsvaders en de Aartsmoeders en dat is lichamelijk gezien een wonder.
De Talmoed spreekt over de Ĝer als een geboren of wedergeboren Jood. Dit is het bewijs dat je alleen als een Jood geboren kan worden. De niet-Jood moet dus geestelijk wedergeboren worden. Het toetreden tot het Verbond van Avraham betekent het ontwikkelen van een geloofsrelatie met de G’d van Avraham en jezelf binden om de mitswot in al je vermogen na te leven. Toetreding tot het Jodendom is bij wijze van spreken een geestelijke aangelegenheid. Uitsluitend geestelijk?
Nee, het is ook een fysieke aangelegenheid. Wij weten dat wanneer iemand ĝioer doet, zij of hij bat Sarah en ben Avraham wordt. De biologische ouders hebben hier noch part noch deel aan. Dit impliceert dat je niet-Joodse ouders halachisch gezien je ouders niet meer zijn. Dit wordt in de Talmoed bewezen.

En dus: een niet-Joodse moeder en haar zoon of een niet-Joodse broer en zus kunnen halachisch gezien ná hun ĝioer dus met elkaar trouwen. Dat gebeurde met betrekking tot Ja’aqov, Lea en Rachel ook. Volgens de Tora mocht Ja’aqov niet met twee zussen trouwen, maar door hun ĝioer kon dit wel. Alleen wordt het nu niet meer toegelaten enerzijds omdat de buitenwereld dit niet begrijpt en accepteert en anderzijds blijven er biologische aspecten [DNA] aan kleven. We spreken dan niet over de onderlinge betrekkingen tussen de vrouwen.

Daarom – omdat toetreding tot het Jodendom een wonder is – moet toetreding tot het Jodendom ook een zeldzame aangelegenheid blijven. Anders is het geen wonder meer. Het toetreden is niet alleen een menselijk handelen. Het menselijk deel is een standvastige relatie met de G’d en de acceptatie van het juk der mitswot. De man moet besneden worden zodat het verbond in het vlees bezegeld is. Maar de échte toetreding gebeurd zodra G’d de niet-Jood als ĝer accepteert waardoor de niet-Jood op een wonderbaarlijke wijze Joods wordt, dus letterlijk nazaat van de Aartsvaders en – Moeders. Alleen G’d is daartoe in staat! Echter de Bejt Din spreekt namens G’d en geeft de legale status van de ĝer aan.

Een ĝioer-kandidaat ondergaat een:

verbond om de kabbalat hamitswot na te leven en

een ‘wedergeboorte’ voor zijn nationale status waardoor een ieder die hierdoor Joodse papieren heeft aanspraak mag doen voor een Israëlisch paspoort en als je daar gaat wonen – een staatsburgerschap.

De combinatie van deze twee punten kent alleen het Jodendom. De toegetreden Jood krijgt wanneer G’d het wenst zijn Joodse nesjomme zodat hij hetzelfde kán beleven qua vreugde en verdriet omtrent de Joodse rijke maar traumatische geschiedenis. Ondanks het niet in je DNA zit kan G’d je het gevoel schenken zodat het met heel Zijn volk mee kan treuren en met heel Zijn volk mee kan feesten.

Motivatie om ĝioer te doen [weet je het wel zeker?]
Hoewel het wel zou moeten, omdat de Tora wel 36 keer voorschrijft ĝeriem te eren, achtte Hasjem het nodig om de ĝeriem te beschermen tegen een tweedeklas burgerschap [Wajjiqra/Lev. 19:33-35; Dwariem/Deut. 24:17]. Wanneer iedereen zich hier aan houdt, garandeert dit voor de nieuwe toegetreden Jood een halachische gelijkheid. Maar waarom al die moeite wanneer het Jodendom geen theologische dwang kent om de wereld te bekeren? Het Jodendom is geen gesloten systeem waarin iemand alleen telt wanneer hij zich ‘binnen’ dat systeem zou functioneren. Morele mensen zullen ook een deel in Olam Haba ontvangen. Daar hoef je geen ĝioer voor te doen. Jodendom kent hierin geen exclusiviteit.

Wanneer iemand ĝioer doet, verandert hij niet alleen van geloof en levensstijl, maar de karaktereigenschappen veranderen hierin mee. Een niet tsnioes-houding [ingetogenheid] die iemand in het verleden gewend was en wat in de seculiere wereld als gewoon gezien wordt, kan vaak niet meer. Een voorbeeld is als vrouw een shirt dragen met korte mouwen. Wanneer iemand bijvoorbeeld driftig van karakter is of hij heeft een vlotte tong, dan heeft hij in je ĝioertijd een enorme uitdaging. Denk bijvoorbeeld aan uitermate driftig gedrag achter het stuur wanneer je je irriteert aan een weggebruiker. Roddelen wat in de gewone wereld als onschuldig bestempeld wordt is volgens Halacha een van de grootste zonde die je bedenken kunt!

Dus, tijdens de ĝioer moeten karaktertrekken ook verfijnd worden en dat gaat niet over een nacht ijs. Want zoals onze rabbijnen stellen: jouw gedrag buitenshuis is niet alleen jouw probleem, maar je representeert de gehele Joodse gemeenschap. Wanneer je met een vieze trui rondloopt, dan denken mensen snel dat alle Joden vies zijn. Wanneer je agressief op irritante weggebruikers reageert, zijn alle Joden agressief. Wanneer je roddelt, roddelen alle Joden. Over het algemeen moet je van doordrongen zijn dat het voor de niet-Joodse wereld het erg moeilijk is om zich neutraal tegen Joden op te stellen. Iedereen heeft wel een mening over Joden. Helaas leert de geschiedenis dat die mening niet altijd even fraai is en merendeels stigmatiserend en vaak discriminerend is.

Vaak willen mensen ĝioer doen vanuit een romantische gedachtegoed: het behoren tot het uitverkoren volk. Vandaar dat de voorzichtige vermaning “met de linkerhand” en hem “met de rechterhand naar je toe te trekken” [Yalkoet Sjimoni, Roeth 1:601] een uitstekende methode is om de toekomstige ĝioerkandidaat te laten doordringen dat er ook grote lasten gedragen wordt binnen de Joodse wereld. De Joden zijn altijd in de overgrote minderheid. 14 miljoen op 7 miljard mensen vormen letterlijk enkele lichtpuntjes onder de massa [0002% van de wereldbevolking]. Niet alleen de ĝeriem zijn binnen de Joodse gemeenschappen de ‘vreemdeling in de poorten’, het gehele Joodse volk is vanaf de ballingschappen tot heden ‘de vreemdeling in de poorten’ van de wereld. Joden waren merendeels onwelkom, onbeschermd, vervolgd, verstoten of werden vermoord. Dit klinkt cru, maar de geschiedenis leert dat het Joodse leven cru kan zijn. Het klinkt generaliserend, maar dit is altijd de waarheid geweest. De Joden zijn door de geschiedenis heen altijd een object van jaloezie en haat geweest. Joden hebben niet alleen geleden in de handen van de Nazi-beulen en de kozakken maar ook in de handen van ‘goede mensen’ zoals de christenen en de moslims.

Ĝioerkandidaten moeten er daarom goed van bewust zijn dat toetreding een associatie betekent met een patroon van etnisch gedrag dat niet in de pas met de rest van de wereld loopt. Dit maakt Joden kwetsbaar om hen te veroordelen, te isoleren, beroddelen [lasjon hara] en toespelingen op te geven. Er moet niet gedacht worden dat dit eigenaardigheden uit het verleden is. Praktijk wijst helaas anders uit. Zo wordt het dikwijls moeilijker te solliciteren met een keppel op. Je wordt nageroepen en per email getreiterd. Geschiedenis wijst uit dat een kleine roddel en kleine toespelingen enorme gevolgen had. Zohar Parasja Sjelach bevestigt dit door dat het leert dat lasjon hara’ plagen, oorlog en moord in deze wereld brengt. Ook moet de kandidaat weten dat oude vrienden je gaan afwijzen en dat je slechts gedeeltelijk door nieuwe vrienden geaccepteerd wordt. Nog niet te spreken wat de reacties van de familie zouden kunnen zijn.

Als de motivatie in staat is het bovenstaande te kunnen weerstaan, moet de motivatie wel doorslaggevend zijn ten aanzien van de lasten die het Joodse volk draagt. Wat is dat dan? Het Joodse leven is als een vitamineboast in plaats van een kalmerend middel. Jodendom is bloeiend, levend. Binnen de grenzen van de halacha kent het Jodendom oneindig veel mogelijkheden. Het plezier dat de Joden van het Jodendom beleeft is door het structuur en de vormgeving. Het vereist actie naast geloof. Het is humoristisch en aandoenlijk, het is uitbundig, maar ook plechtig. De Joodse ethiek spreekt van vriendelijkheid en liefdevolle tederheid, maar het beschikt over een musculaire moraal die nooit de wang toedraait. De vreugde van het Joodszijn is afgeleid vanuit een volk met aflatende creativiteit binnen het monotheïsme, de Bijbel, de synagoge, het idee van een gebedenboek en zijn immense rol in de formalisatie van de democratie, godsdienstvrijheid en mensenrechten. De vreugde zit hem ook in het feit dat het Jodendom een levenslange ontwikkelingen is van de geest en haar intellect wat manifesteert in het feit dat een buitenproportioneel aantal Joden in de wetenschap, kunst, professies zitten, dat zich uit in een overweldigende, enorme aantallen van de diversiteit van de Joodse Nobelprijswinnaars. Meer dan een derde van alle Nobelprijswinnaars zijn Joden [bijvoorbeeld 27 Joden in de Scheikunde, 49 Joden in de Geneeskunde]. Het aantal Joden die een universitaire opleiding hebben genoten is ook overweldigend. En deze succes komt voort uit de hun overlevingsdrang, maar ook uit een eindeloos vermogen en creativiteit om iedere keer te kunnen aanpassen in steeds maar weer veranderende omgevingen. In die omgevingen worden de successen van Joden al duizenden jaren gebagatelliseerd. De Joodse intellect wordt als ‘elitair’ gezien, onze doorzettingsvermogen wordt gezien als ‘drammerig’, het Jodendom zelf maakt van ons ‘vreemd’, onze banden met familie en vrienden uit de gemeenschap te ‘kliekerig’, ons gevoel van uitverkorenheid wordt vertaald in ‘onduldbaar’. Ruggen moesten we krommen om deze bond en blauw te laten slaan, en ondertussen wordt je ‘passivist’ genoemd. De wereld vroeg ons torens van civilisaties te bouwen, om ons vervolgens daaraan op te hangen, omdat wij de christelijke messias zouden hebben opgehangen. De vreugde van het Joods-zijn komt van het gevoel te horen bij een goed gedefinieerde, hechte groep, wiens motto [een van de twee eisen] luidt: “Alle Joden zijn verantwoordelijk voor elkaar.”

Aan het eind van het proces, wordt het pasgeboren Jood niet alleen een onderdeel van het geloof – wat het entiteit naar de hemel vergeestelijkt – maar een lid van een groep mensen, broeders en zusters, die aaneengesloten arm-in-arm hetzelfde lot delen, waar ook ter wereld.

Het adopteren van het Jodendom is dus het adopteren van het Joodse volk als jouw eigen volk en de Joodse geschiedenis en toekomst als jouw geschiedenis en toekomst.

Waarom ĝioer in Nederland zo lang kan duren
Een van de grootste ‘klachten’ onder de ĝioer-kandidaten is de duur van de ĝioer hier in Nederland. Elders zou het sneller en gemakkelijker verlopen. Maar is sneller en makkelijker ook beter? Onderzoeken wezen namelijk uit dat een minder stevige basis hogere kans op ‘terugval’ oplevert, waardoor de inmiddels geworden Jood en masse de mitswes overtreedt omdat ‘het oude leven’ nog te veel aan hem of haar trekt; hij is [nog] niet voldoende van het niet-Joodse gedetoxed. Daarom is het zaak dat je over het algemeen een aantal jaren nodig hebt om in het Jodendom en Joodse volk te cultiveren. Langzaam en gelijkelijk. De uitdrukking hardlopers zijn doodlopers kan in een ĝioerproces ook toegepast worden.

Zo kun je niet van de ene dag op de andere dag gewend en bekend zijn in de kasjroetwetten, het houden van de Sjabbes, het houden van de Jamiem Toviem, dawnen binnen een korte tijd. Dat moet erin ‘slijten’. Ook voor vrouwen geldt: van de ene dag op de andere dag een hoofddoekje of sjeitel dragen doen de meeste vrouwen niet even. Vaak moeten vrouwen daar naar toe groeien. Moet jij je voorstellen dat je in het kader van kasjroet veel gerechten die je nu wel mag eten moet laten staan, je niet meer bij je ouders kunt eten op de gewende manier [evenzo bij je niet-Joodse vrienden]. Hiermee zul je sommige mensen, misschien jezelf eveneens, voor het hoofd stoten. Het zal zelfs je relatie kosten wanneer je partner niet aan het proces meedoet.

Dan te denken aan de Sjabbat. Hoe leg je je oude moeder uit dat zij op Sjabbat jou niet kan bellen wanneer er nood aan de man is, maar dat ze moet vertrouwen op andere familieleden, vrienden, kennissen en 112? Dit geldt – zolang het niet levensbedreigend is – ook voor jezelf.

De RaMBaM beschrijft dit op de volgende manier: “weet, voordat je komt tot deze status [het Joods zijn] dat wanneer je [de niet-Jood] verboden vetten zou eten, je niet gestraft wordt met de ondergang; als je de Sjabbat overtreedt wordt je niet gestraft met steniging; maar nu, wanneer je [inmiddels Joods geworden kandidaat] verboden vetten eet, wordt je gestraft met de ondergang.” Zoals de RamBaM hen [ĝioerkandidaten] waarschuwt voor de straffen, vertelt hij ook over de beloning die in het verschiet ligt wanneer de kandidaat het ĝioerproces tot een succes weet te brengen. Dat proces duurt lang wanneer je echt wilt slagen. De kans op de beloning [in Olam Haba] is hoger wanneer je het op de tempo doet zoals Nederlandse Rabbinaten het voorschrijven, dan de ‘vermeende’ vluchtertjes elders in de wereld [met name in Israel en de VS].

De RaMBaM waarschuwt in Hilchos Melochiem hfst. 8 verder: “Olam Haba, dat speciaal is gereserveerd voor de rechtvaardigen van het Joodse volk, heeft een kwalitatief maximum te bieden. Deze zal worden genoten door Joodse volk en slechts een fractie zal worden bereikt door rechtvaardige heidenen… De reden is simpel te begrijpen. Zoals eerder gemeld: het Joodse volk die zich houden aan de 613 Geboden – om hen te kunnen handhaven die vaak leiden tot ontberingen, zelfopoffering en vaak ook lijden tot vervolging en dood – hebben veel meer recht dan degene de Zeven fundamentele – relatief eenvoudig te vervullen – Geboden naleven. Zijn levenswijze [die van de Ben Noach] botst lang niet zo erg met andere culturen en volkeren onder wie hij leeft. Anderzijds wordt hij [de Ben Noach] lang niet zo zwaar gestraft zodat zij niet vernietigd worden… Maar uiteindelijk zullen alle heidense volkeren stoppen te bestaan en het Joodse volk zal blijven.”

Daarom is de ruime tijd die het Nederlandse Rabbinaat stelt verre weg van gek en op de lange termijn minder risicovol. Uiteraard is het persoonsgebonden. De ene leert sneller dan de ander, de ander gedijt zich sneller in het sociale – en culturele kenmerken van het Jodendom dan de ene. Het is daarom ook af te raden hierin niet je hart maar je ratio het te laten doen. Teveel en te snel willen neemt veel risico’s op de langer termijn mee. En laten we vooral niet vergeten: zodra je Joods bent en je laat vele mitswes vallen omdat je achteraf te snel bent gegaan, ben je als Jood wél verantwoordelijk en word je door Hasjem ook verantwoordelijk gesteld. Ook daarin wordt geen onderscheid gemaakt tussen een geboren – of een toegetreden Jood.

Goedkoop is duurkoop geldt zeker ook voor ĝioer.

Laat je tot slot niet verrassen…
… met onaangenaamheden zoals uitkomen bij een niet ‘orthodoxe’ Bejt Din. Een voorbeeld die waar gebeurd is en niet op zichzelf staat.

Ben [halachisch Joods] is getrouwd met Miep [niet-Joods]. Omdat Ben en Miep niet vroom willen leven maar wel een choeppa [Joods bruiloft] willen hebben en wensen dat hun kinderen Joods beschouwd worden, doet Miep ĝioer bij de Liberale Joodse gemeenschap. Na een paar jaar krijgen zij 2 kinderen, Sharon en Natan. Natan volgt zijn eigen pad en wordt net als zijn vader verliefd op een niet-Joods meisje. Sharon daarentegen vertrekt naar Israel en wordt uiteindelijk verliefd op een vrome jongen. Zijn levenswijze spreekt haar aan en ze wilt tesjoeve doen [terugkeren van niet-vroom leven naar een oprecht vroom leven]. Een aantal maanden gaan voorbij en Ben en Miep krijgen het bericht dat er een choeppa op handen is van hun dochter met haar verloofde. Er wordt onder meer om haar Joodse papieren gevraagd om de ketoeba [huwelijksakte] op te kunnen maken. Of Ben en Miep deze willen toesturen. Na enkele dagen krijgen ze een ontzette, diep ongelukkige Sharon aan de telefoon. Ze kan zo niet met haar verloofde trouwen. Ze is niet Joods.
Overigens heeft Sharon voor als nog ĝioer gedaan voor een uitstekende Bejt Din en alles is toch goed gekomen. Maar niet alle verhalen eindigen zo! HIER een ander verhaal. Het gaat niet om dezelfde personen overigens.

Dit is de realiteit. Wanneer je uitkomt voor een niet kosjere Bejt Din [Progressief, Liberaal en zelfs Conservatief], dan ben je halachisch niet Joods en als vrouw zul je geen Joodse kinderen op de wereld zetten. Mensen denken – omdat wereldwijd 80% van de Joden ‘Liberaal’ [lijken te] zijn – dat de ontkenning van je Joods-zijn door de vrome rabbinaten slechts een ontkenning van de minderheid betekent. Nogmaals, de waarheid is anders. Zelfs in Israel is het een groot probleem [Toetredingen binnen het IDF nog minder dan kosjer, Vastgelopen coalitie wanneer de nieuwe gioerwet niet wordt aangenomen]. In 2008 hebben tientallen duizenden ĝeriem in Israël te horen gekregen, sommigen waren al jaren uitgekomen, dat zij naderhand toch niet Joods zijn. Het schijnt dat deze controverse nog steeds loopt.

Het is daarom ook geen toeval dat met name in de VS een stormloop is bij de Amerikaanse Rabbinale Rechtbanken van niet-Joden die bij de Liberalen of dergelijke zijn uitgekomen en een volledige identiteitscrisis ondergaan of dat zij zelf ontdekken dat er ‘meer’ is dan een Liberaal gedachtegoed. Deze mensen willen Hasjem werkelijk kennen en moeten dan helaas hun gioer overdoen en worden niet als ĝioer-lechoemra [lechoemra=verzwaring; gaan over mensen waarvan men de moeder van de kandidaat verdenkt van Joods-zijn maar niet hard kunnen maken] beschouwd en dienen het hele proces opnieuw te volgen.

Tot slot: er kan gedacht worden ĝioer te kunnen doen bij een orthodoxe rabbinaat zonder intentie te hebben vroom te leven. Er zijn mensen die tijdens hun ĝioerproces vroom leefden om over te kunnen komen, met de gedachte weer minder strikt te worden na de ĝioer.

Er zijn gronden, die de schrijver van dit artikel verder ook niet weet maar wel van officiële bronnen gehoord heeft, dat een ĝioer voor als nog ongedaan gemaakt kan worden. Laat je als niet-Jood je dus niet verrassen, want “keep the Seven, go to Heaven!’

Bronnen:
“Becoming a Jew” van Maurice Lamm
“Declaring Faith” van Rebbetzin Chana Bracha Siegelbaum in Shiur Times no. 18 June 2008
“ĝioer – overgang tot het Jodendom” van Dayan mr. Drs. R. Evers
“Vayishlach, 36:12, 36:22–Achos Lohton Timna” van Rabbi Barzilai
“Ontstaan van Amaleq” van Rabbi prof. Efrayim Sprecher
“I Await His Coming Everyday” 20 Nissan, 5748 · April 7, 1988 van de Lubavitcher Rebbe
“Welcome Home” van Rabbi Leibl Wolf
“Jewish Conversion, Its Meaning and Laws” van Rabbi Yoel Schwartz
“Rabbinical Court Puts Thousands of Converts in Legal Limbo” van Nathan Jeffay Jewish Daily Forward
“Rabbis’ ruling puts thousands of converts in limbo” van Laurie Copans USA Today
“How Do You Prove You’re a Jew?” van Gershom Gorenberg New York Times
“Converted Reform? You’re not a Jew” van Charles Golding The Jewish Chronicle Online

©FAQ-online 2011