Het leven van Aquila (Onkelos)

Geschreven door Devorah

“Je bent als buitenstaander (niet-Jood) niet in staat G’ds Woord en Zijn Mondelinge Wet volledig te absorberen.
Je kan alleen de diepte van de Wijsheid van de Tora ontdekken door met intentie er naar te leven van wat je geleerd hebt,
en de anderen daarmee te onderwijzen.
Voor buitenstaanders blijft het (de diepte)verborgen.
Zou jij, mijn geliefde keizer, een soldaat belonen voor de strijd die hij niet voor jou gestreden heeft?”

Aquila/Onkelos

Deze wijze, diepzinnige woorden kwamen uit de mond van Aquila, de lievelingsneef van de Romeinse keizer Hadrianus. Aquila, bekent als “Onkelos de Proseliet”, leefde tijdens de tweede generatie van de Tannaiem(10-220 n.d.g.j.).

Het is erg boeiend te lezen hoe en waarom Aquila Joods werd.

Hoe is na aanraden van zijn oom, de keizer Hadrianus, die hem – op de vraag hoe je rijkdom kunt vergaren – adviseerde de koopwaar na te jagen die nu niet geliefd is. Deze kun je voor een prikkie kopen en op een later tijdstip, wanneer er steeds meer vraag naar komt, voor een meerprijs kunt verkopen. Aquila, die geen rijkdommen nodig had omdat zijn vader Kalonikos – de zwager van de keizer – een rijk man was,  nam deze raad ter harte.
Waarom, omdat hij al als kind al Hebreeuws had geleerd van een Joodse slaaf die zijn vader ooit op een slavenmarkt had gekocht, was het haast logisch dat zijn zoektocht naar rijkdom in het Jodendom eindigde.

Aquila vertrok vervolgens naar Javne, de stad die op verzoek van Jochanan ben Zakkai, de hoofdstad van de Joodse tradities werd en werd leerling van Rabbi Jehosjoe’a. Ook Rabban Gamliel en Rabbi Akivaverwelkomde hem hartelijk en ondersteunde Aquila in zijn zoektocht naar het Jodendom. Rabbi Eliezer was in de eerste instantie terughoudend, omdat hij toetredingen tot het Jodendom het allerminste aanmoedigde. Aquila was een uiterst geschoolde man en was goed bedreven in alle Romeinen en Grieken culturen. Hij beschikte niet alleen over een helder hoofd en buitengewone brein maar had ook een hart van goud en was gezegend met een verheven ziel, zoals Rabbi Eliezer en Rabbi Jehosjoe’a later zullen opmerken. In zijn zoektocht naar het Jodendom besefte hij snel dat afgoderij dwaas is en dat de Joodse godsdienst de echte G’ds dienst is. In stilte begon hij G’d, de Schepper van Hemel en aarde te dienen en hij wachtte de gelegenheid af om het Jodendom formeel als godsdienst aan te nemen.