Oorsprong van het kwaad

Geschreven door de redactie

BT Kiddoesjien 30b:
Ik heb de kwade aandrift geschapen,
maar Ik schiep de Tora om de mens uit zijn paradoxale situatie te bevrijden.

Het Jodendom kijkt heel anders tegen het kwaad aan dan het christendom gewend is. Het christendom personifieert het kwaad in een de gevallen engel satan, terwijl in het Jodendom kwaad niet in een zin of in een visie gestopt kan worden. Daarnaast is goed en kwaad in het Jodendom subjectief. Daarom schuwen wij niet om het kwaad vanuit het Joods oogpunt op een diverse manieren uit te leggen. Het Jodendom kent hierin ook geen “foute” theorie.

Voordat Adam harisjon van de vrucht van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad at, stonden goed en kwaad aan elkaar parallel aan elkaar. Door het eten van de vrucht van de Boom van Goed en Kwaad werd goed en kwaad met elkaar vermengd. Deze vermenging openbaarde zich in die vrucht van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad.

Het Jodendom gelooft daarnaast dat het kwaad ten goede komt. In het volgende voorbeeld van de definitie van kwaad wordt dit beknopt duidelijk gemaakt. De RaMBaN meent namelijk dat de vruchten een invloed hebben op onze gemoedrust. Denk bijvoorbeeld aan drugs. Uitwerking van het vrucht is een vreselijke verlangen naar het kwaad. Het kwaad dat het bestaan van G’d ontkent. Maar, als Adam niet van de vrucht had gegeten, was geen G’ddelijke zielen niet in de andere volkeren terecht gekomen die de rest van de aarde bevolkten. Ondertussen brengt de Masjiach het G’ddelijke weer terug in het dagelijks leven en de natuur. Dat de Masjiach óók te verbinden is met de andere volkeren en het kwaad dat door G’d ten goede wordt gebracht middels Zijn volk Israël, kunnen wij zien in David hamelech, kleinzoon van een Moabitsche (gojiem) Ruth en afstammeling van de incestueuze relatie (kwaad) tussen Tamar en stamvader Jehoeda. Dit alles is in de verborgenheid geschied, want immers zou het kwaad er alles aan gedaan hebben dit tegen te gaan.

G’d wist van te voren dat de wereld zowel rechtvaardige als onrechtvaardige mensen zou bevatten. Er is een toespeling aan dit in het verhaal van de Schepping. De “aarde nu was woest” betekent “onrechtvaardig” (slecht), en de woorden “er zij licht” verwijst naar de rechtvaardigen.

Midrasj Bereesjiet Rabba 3

Een Joodse visie
Zoals G-d wilde dat goed bestaat, zo wilde Hij niet dat het kwaad bestaat. Met andere woorden: Goed bestaat omdat G-d het wenste; kwaad bestaat omdat G-d het niet wilde. Als G-d iets niet wilt, wordt dat realiteit. Het besluit dat G-d iets niet wilt, máákt dat besluit dat het wat Hij niet wilt bestaat. G-ds kracht is zo onbeschrijfelijk enorm oneindig, dat Zijn “niet-willen” wordt geschapen (zie met betrekking tot Jesjajahoe 45). G-d wilt het kwaad niet en daarom bestaat het.

Toch bestaat kwaad niet zoals goed bestaat. Omdat G-d goedheid wenst, is dit waarachtig en voor altijd. Kwaad is negatief en iets wat G-d niet wenst en bestaat daarom maar tijdelijk. Het kwaad is een niet meer dan ongewenste niet-entiteit, een niet te nemen pad. Door kwade handelingen te doen, geven wij kwaad meer krediet dan het verdient. Onze slechte keuzen maken kwaad in een waardiger bestaan dan het werkelijk is. Uiteindelijk, kan het kwaad niet heersen. Het is een ongewenst geest, een tijdelijke illusie, zwakke façade. In loop van tijd zal het kwaad verdreven worden, hoe dreigend het kwaad ook lijkt. De slechte imperia kruimelen af, zieke ideeën worden blootgesteld, en de goedheid schijnt uiteindelijk door. Dat alleen is wat G-d wilt, maar Hij het aan ons over om dit te bereiken. De enige manier om de geest van het kwaad te bestrijden is het licht van het goede aan te zetten.

Dit komt een beetje overeen met de theorie van RaMBaM die hij baseerde op de Mutakallemim die wij later in dit verslag zullen bespreken.

Een tweede Joodse visie
Vanuit Joodse overlevering wordt gezegd dat het Licht in Genesis werd geschapen voor de rechtvaardigen en de duisternis voor de onrechtvaardige. Wij zullen later nog wel op bronnen terugkomen en nader bekijken. Sowieso lezen we in Jesjajahoe 45:6-7: Zo zal iedereen, van oost tot west, weten dat er niets is buiten mij. Ik ben de HEER, er is geen ander die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil schept. Ik ben het, de HEER, die al deze dingen doet. In het Hebreeuws staat er: L’ma’an yed’oe mimiezrach (1) -sjemesj oemima’aravah (2), ki efes bil’adaj (3); ani Adonaj w’een od. Jotzer or oebore chosjech, oseh sjalom oebore ra; ani Adonaj, oseh kol eleh.

Letterlijk vertaald is dit: “Dat zij mogen weten van het oosten van de zon en van het westen dat er niks is zonder mij; Ik ben de HERE en er niets meer. Ik vorm licht en schep duisternis, Ik doe vrede en schep kwaad; Ik ben de HERE die dit alles doet.”

En: Jotzer or oebore chosjech, oseh sjalom oebore ra; ani Adonaj, oseh kol eleh. Ik vorm licht en schep duisternis, Ik doe vrede en schep kwaad; Ik ben de HERE die dit alles doet.”

E. Italië geeft de volgende definities:

Bara = scheppen; voortbrengen;
Jatzar = vormen; scheppen; verzinnen;
Asah = maken; scheppen; ten uitvoer-, voort-, op-, volbrengen; verwerven; bereiden; uitoefenen; doen; vervaardigen; offeren; uitvoeren; uitrichten; ordenen; bewerken, dat; (feest, Sabbath) vieren; (recht) oefenen; in het aanzijn roepen; vormen; volvoeren; (oorlog) voeren; (vrede) sluiten; (gunst) bewijzen.

Al met al zijn er veel definities te zien en is niet direct duidelijk of er inderdaad iets is met die woordjes bara en jatzar. De JPS-version geeft de volgende vertaling: I form the light, and create darkness; I make peace, and create evil; I am the LORD, that doeth all these things.

Het leuke is dat je met het Hebreeuws veel meer kan.

Het eerste dikgedrukte deel wordt door de JPS-version vertaald als ‘van het opgaan van de zon’. Maar mizrach betekent letterlijk oosten. Zo weet je dus vanuit de Bijbel dat de zon inderdaad opgaat in het oosten.
Het tweede dikgedrukte deel zegt ‘van het westen’, want ma’arav is het westen. Echter zit er nog meer in. De stam van ma’arav is ajien-reesj-bet, oftewel erev en dat betekent avond. De avond vindt zijn oorsprong dus in het westen, dus waar de zon ondergaat. Het Joodse avondgebed heet dan ook ma’ariev. Zo zie je dus duidelijk overal de logica van in.
Het derde dikgedrukte deel is ki efes bil’adaj en wordt vertaald met dat er niets is buiten mij. Overigens staat er niet dat er niets buiten Hem is, maar letterlijk ‘er is niets zonder Mij’. Dit benadrukt nog extra dat Hij de Enige Maker is van alles en dat Hij dus in feite ook in alles is. Efes is ook de Hebreeuwse benaming voor het cijfer nul. Het gaat echter voornamelijk om vers 7. Daar staat duidelijk dat de Eeuwige alles doet. Hij heeft volgens de NBV het donker geschapen, maar een betere vertaling van chosjech is duisternis, zoals dit ook is vertaald in Genesis 1. Hij zegt duidelijk dat Hij Licht vormt en Vrede doet en dat Hij duisternis schept en kwaad schept. Hier wordt m.i. gesproken over het Licht en de duisternis die we tegenkomen in Genesis 1:2. Het staat hier niet voor niets zo bij elkaar.
Iemand zei eens dat wanneer we altijd maar als mensen de duivel de schuld van alle kwaad geven en als maker van het kwaad zien, we dan dus tóch een andere god naast de Eeuwige maken. Hiermee beroven we in feiten de HERE van Zijn Eénheid. Dit betekent niet dat we het bestaan van satan ontkennen en zijn kracht, maar we zullen hem toch anders moeten gaan zien dan die duivel die over de vuurzee van de hel heen gebogen staat en iedereen straft.

Wanneer wij wederom naar de woordjes vormen (jatzer) en scheppen (bara) te kijken. Daar zit ook iets. G-d vormde het Licht (Gen.1:3 De Masjiach), maar schiep het kwaad. Wil dit automatisch betekenen dat niet gelovigen gelijk krijgen omdat G-d de schepper is van het kwaad en dus verantwoordelijk is voor de ellende… of… als G-d de schepper is van het Kwaad dat we in een valkuil zijn getrapt door van die boom te eten?

G-d heeft de Boom der Kennis van Goed en kwaad gemaakt en zette hem in de tuin van Eden. Hij had op dat moment dus al het kwaad geschapen. Die boom was blijkbaar de verpersoonlijking van het kwaad. G-d had dus op dat moment het kwaad al geschapen. De mens wist hier niks van totdat het moment kwam dat G-d hen liet weten dat zij niet van de boom mochten eten. M.i. was dat het moment dat de mens kwaad kon doen en dat ook wist. En dat terwijl zij nog niet eens hadden gegeten van de verboden vrucht! Het eigenlijke eten van de vrucht dient in dit geval dus als symbool van die foute keuze, als veruiterlijking van de foute gedachte die Eva had. Er zou dus sprake zijn van een kwade scheppende kracht en een goede scheppende kracht, kortweg ‘keuze’ genoemd. In het Jodendom heet dit de Jetzer HaRa (drang tot het slechte) en de Jetzer HaTov (drang tot het goede). Deze gaf G-d hen door hen te wijzen op die boom en de opdracht te geven hier niet aan te zitten. G-d schiep het kwaad dus wel, maar wilde de mens er voor behoeden. Hij heeft gedaan wat Hij kon, namelijk: waarschuwen. De mens is dus absoluut niet in een valkuil getrapt. G-d gaf 99% moois en lekkers om van te genieten en liet 1% over waaraan de mens niet mocht zitten. De mens had in feite de hele hand al, maar wilde dat kleine topje dat nog ontbrak eveneens hebben…

Het vreemde is dat de mens graag overal vrij in wil zijn, alles zelf wil bepalen. Het kan niet vrij genoeg zijn! Maar zodra men het heeft over dat G-d de mens inderdaad vrijliet en dat er dus fout gedaan kon worden, schreeuwt men aan alle kanten dat het niet eerlijk is en dat het tegengehouden had moeten worden. Oftewel, alles zelf doen, maar als het fout gaat een zondebok zoeken en dat is maar al te vaak G-d, de HERE. Vandaar dat de mens zelf verantwoordelijk is voor de keuzes die hij maakt! Je kunt het vergelijken met een vader die zijn kinderen vertelt geen drugs te gebruiken. Waarom? Omdat je dan in de problemen komt en zelfs dood kunt gaan. Toch zijn de kinderen nieuwsgierig en kiezen zij er zelf voor tóch drugs te gebruiken. De gevolgen zijn vervelend voor hen. En vader is verontwaardigd en ze schamen zich plotseling erg voor hem, ze voelen zich naar, etc. Is het de schuld van papa dat de kinderen deze keuze maken? Nee, beslist niet. Wanneer het dus fout gaat met kinderen, vragen ouders zich dikwijls af wat zij fout hebben gedaan in de opvoeding. Deze vraag is onterecht, tenzij ze inderdaad niet G-ds methode hebben opgevolgd, nl. gewoon vertellen dat ze er met ‘de fikken af moeten blijven, omdat de gevolgen anders zuur zijn’. Zo maakt ieder mens vanaf dat hij zelfstandig kan denken keuzes en is hij zelf verantwoordelijk.

Wil dit automatisch betekenen dat niet gelovigen gelijk krijgen omdat G-d de schepper is van het kwaad en dus verantwoordelijk is voor de ellende… of… als G-d de schepper is van het Kwaad dat we in een valkuil zijn getrapt door van die boom te eten?

De vrucht van de Kennis van Goed en Kwaad is er een waarbij goed en kwaad verward zijn. Hasjem kan hier mee omgaan, de mens niet. Nadat de mens geschapen was lezen we inclusief over hem: “En G-d zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was ZEER GOED” (1:31). Dat na het nuttigen van de vrucht het blijkbaar verkeerd was in hun ogen om naakt te zijn blijkt uit: “Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgenboombladeren samen, en maakten zich schorten” (3:7).

Dus:

Het was G-d die de mens naakt geschapen heeft, van Zijn scheppingswerk die 6e dag oordeelde dat het zeer goed was (dus inclusief naakte Adam) en van hem ook voortplanting verwachte en hem ook een naakte vrouw creëerde.
Het was Adam die uitsprak dat de vrouw naakt was door te zeggen dat zij van zijn benen been en van zijn vlees vlees was.
De vrucht van de (verwarde) kennis EN kwaad gaf de mens een verdraaid inzicht over het naakt zijn, voorheen geen probleem en goed, nu blijkbaar beschamend.
En ondertussen…De Almachtige gaf Adam de vrijheid met dit gebod: “Van alle bomen in de hof mag je vrij eten, maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan zul je niet eten” (2:17), want hoewel Hij dit niet wenste en Hij het Adam verboden had van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten, was er de mogelijkheid voor Adam dit gebod te overtreden. Dit is de grote liefde van Hem. De Geest van de Almachtige zegt in Spr.8:17 “Ik heb lief wie Mij liefhebben”. Echter zoals we in Gen.2 zien, is de Almachtige de initiatief nemer, zowel in de schepping van alles, als ook in het betuigen van Zijn liefde jegens Adam. Wanneer nu Adam als een soort robot geformeerd zou zijn geweest, die alles maar deed wat hem gezegd werd, dan zou er toch geen sprake van liefde kunnen zijn van waaruit hij vrijwillig de Hasjem onderworpen en gedienstig zou zijn? En dat de Heilige wil dat wij Hem liefhebben mag toch wel duidelijk zijn uit: “Nu dan, Israël, wat vraagt de Eeuwige, uw G-d, van u dan de Eeuwige, uw G-d, te vrezen door in al Zijn wegen te wandelen; Hem lief te hebben; de Eeuwige, uw G-d, te dienen met uw ganse hart en met uw ganse ziel” (Dwariem/Deut.10:12). En dit geldt ook voor de andere mensen: “Ook al de overgeblevenen uit alle volken, die tegen J’roesjalajiem opgetrokken waren, zullen van jaar tot jaar opgaan, om zich aanbiddend neer te werpen voor de Koning, de Eeuwige Ts’wa’oth, en om het loofhuttenfeest te vieren. Maar zij, die van de geslachten der aarde niet zullen opgaan naar J’roesjalajiem, om zich aanbiddend voor de Koning, de Eeuwige Ts’wa’oth, neer te buigen, zullen van de vruchtbaar makende regen verstoken blijven” (Zechariah 14:16,17).

De Almachtige wil een liefdesrelatie met de mens! Een relatie is enkel mogelijk wanneer beide partijen daar voor openstaan. De mens moet zijn genegenheid vrijwillig tonen door te kiezen de hem gelaten vrijheid niet te gebruiken, en Hem alleen als rechtmatig Schepper te erkennen. Wanneer dan Adam zijn liefde in gehoorzaamheid zou tonen, betekende dit dat hij open zou staan voor- en gericht zou zijn naar zijn Vader. Dan zou ook de Ontfermer hem liefdevol kunnen zegenen (zie nogmaals Spr.8:17). Wanneer Adam echter niet open zou staan voor het gebod, zou hij dan wel openstaan voor Zijn liefde en de daaruit voortvloeiende zegen? Nee, de relatie zou verbroken zijn! De Almachtige wilde hem vanuit Zijn liefde overladen met zegening, en gaf Adam ook daarom de vrijheid Hem vanuit liefde vrijwillig gehoorzaam te zijn, opdat nog meer liefde en zegening door Hem aan hem betoond kon worden.

Maar toch, waarom plantte Hij Die alleen goed is de boom van de kennis van goed en kwaad, in het midden van de hof? Ook dit draait weer om de liefde van de Heilige tot Adam, verlangend hem te zegenen. Als Hij het kwaad niet had geschapen (“Ik formeer het licht, en schep de duisternis, Ik maak de vrede, en schep het kwaad; Ik, de Eeuwige, doe al deze dingen”, Jes.45:7), hoe had Adam dan de mogelijkheid gehad vrijwillig zijn liefde te tonen door voor Hem, Die goed en recht is en in Wie geen onrecht is, te kiezen door Zijn gebod te bewaren?De Hasjem is enkel goed en in Hem is geen kwaad, hoe anders zou geboden kunnen worden: “U die de Eeuwige liefhebt, haat het kwade” (Ps.97:10)?

Als men het Woord van de Almachtige veracht, veracht men Hem (Bemidbar/Num.15:30,31; 2 Sam.12:9,10). Het boek prediker leert: “wie door een omheining breekt, een slang zal hem bijten” Pred.10:8). Zo dus ook wel heel letterlijk in de parsja Bereesjiet; de omheining is de afkadering van G-ds wil, de negatieve geboden, hetgeen buiten de smalle weg ligt. Als je er van afwijkt krijg je te maken met de verleiding en de zonde, met een slang wiens beet dodelijk kan zijn. De dood is het loon van zo’n mens (Bemidbar.15:30,31; Spr.13:13). Zou Adam voor de verboden boom kiezen, dan zou dit gelijk staan aan Hem niet liefhebben, verachten, ja, Hem mogelijk zelfs (tijdelijk) hatende. Want allen, die Hem haten, hebben de dood lief (Bereesjiet/Gen. 2:16,17; Spr.8:36).

Het kwaad volgens RaMBaM
Een andere geaccepteerde theorie in het Jodendom over het kwaad is dat G’d níet de Schepper van het kwaad is. Een van de denkers hierin was RaMBaM. Hij legt als eerste uit dat “niet-bestaan” een absolute “niet-bestaan” behelst. Het heeft geen betrekking op afwezigheid van voorwerpen of eigenschappen. Bestaan en afwezigheid van voorwerpen of eigenschappen zijn tegenstellingen van elkaar zoals licht-donker, man-vrouw, dood-leven, etc. “Niet-bestaan” is niet gebonden aan een “iets”, terwijl een “iets” altijd gebonden is aan iets dat geproduceerd is.

Zo zult gij heden weten, en in uw hart hervatten, dat de HEERE die God is, boven in den hemel, en onder op de aarde, niemand meer!; אֵין, עוֹד: ejn ‘od: lett.: niets meer
Dwariem/Deut. 4:39. Wat betekent nu in de essentie ejn ‘od uit Deut. 4:39? Het is namelijk een onbegrijpelijk gegeven. Ejn ‘od mbt Dwariem/Deut 4:39 betekent dat naast G’d geen ander realiteit bestaat. Moet jij je voorstellen. Géén ander realiteit. Wij zitten hier op onze werk en dat is géén realiteit. Wel vanuit een menselijk perspectief, want knijp maar in je arm, dat kan behoorlijk zeer doen. Maar vanuit het perspectief van de Hasjem zijn wij géén realiteit. Dus… naast G’d is niets. WAT is niets kunnen we als volgende vraag stellen. Dat is onvoorstelbaar… Dáárom zegt Dwariem 4:39 dat NIETS naast G’d bestaat. Dit moet je goed opvatten. Het fenomeen “niets” staat niet naast Hem en is gelijk aan Hem. Nee, niets is zoals jij zegt een fenomeen dat niet bestaat. Dat niet realiteit is. Niets dat naast G’d is betekent dat Hij Alleen bestaat. Hij Alleen is Realiteit en wij zijn als het ware Zijn gedachte. Zijn Wil. De wereld kan onmogelijk uit zichzelf bestaan. Ook dat betekent Dwariem 4:39 en past eigenlijk – zonder dat wij het weten – binnen dat Matrix-concept. Het proces “scheppen” gaat daarom altijd maar door. Iedere seconde en minder (zo snel gaat het) worden we steeds als het ware op nieuw geschapen. Als of we opgebouwd zijn zoals een beeld van een tv of pc. Hij is de scheppende kracht van genezing, te ontzaglijk voor lofliederen is de Heer van de wonderen, die in Zijn goedheid steeds weer, iedere dag het werk van de schepping vernieuwt.

Recapitulerend:
De RaMBaM maakt duidelijk een onderscheid tussen iets dat niet bestaat en afwezigheid van een eigenschap. Niet het niet bestaan is een tegenstelling van bestaan, maar afwezigheid van eigenschappen en bestaan van eigenschappen zijn elkaars tegenpolen. Overeenkomsten van afwezigheid en aanwezigheid van eigenschappen/dingen is dat zij beide “iets” zijn die door “iets” geproduceerd is. Het niet-bestaan is aan geen eigenschap of ding gebonden.

Een voorbeeld: Iemand die een obstakel verwijderd, is de veroorzaker van de beweging die de obstakel verwijderd. Hij produceert de afwezigheid van dat tastbare ding. Dit maakt de eigenschap van dat ding door de afwezigheid niet iets positiefs.

Een ander voorbeeld: Wanneer iemand ‘s nachts het licht uitdoet, brengt duisternis voort. We kunnen zeggen dat hij het zicht van de ander vernietigd. Hij brengt blindheid voort. Ondanks duisternis en blindheid negatieve dingen zijn, vereisen zij geen “ding” of een “iets”. In dat kader kan Jesjajahoe 45:6-7: “Dat zij mogen weten van het oosten van de zon en van het westen dat er niks is zonder mij; Ik ben de HERE en er niets meer. Ik vorm licht en schep duisternis, Ik doe vrede en schep kwaad; Ik ben de HERE die dit alles doet.”L’ma’an yed’oe mimiezrach -sjemesj oemima’aravah, ki efes bil’adaj; ani Adonaj w’een od. Jotzer or oebore chosjech, oseh sjalom oebore ra; ani Adonaj, oseh kol eleh. In deze vers zien wij duidelijk dat bore, creëren, centraal staat.

Duisternis en kwaad zijn dus “niet-bestaan”, want Jesjajahoe zegt niet Ik maak/doe (‘oseh) duisternis, Ik maak kwaad. Kwaad en duisternis zijn geen zaken in het positief bestaan die gemaakt zijn. Vandaar dat Jesjajahoe spreekt van bora, creëren. Bara wordt in het Hebreeuws vaak toegepast op “niet bestaande dingen”.

In het begin schiep G’d [bara]… de schepping vond uit het niets plaats. Alleen van deze vorm van “niet-bestaan”. Alleen van deze vorm van “niet-bestaan” kan gezegd worden dat deze is voortgebracht bij een vorm van actie van een ding/een iets. Dit verklaart Sjemot/Ex. 4:11: wie heeft er een mond gezet aan de roodbloedige mens,of wie maakt stom of doof of helderziend of blind?- niet ik, die-er-zal-zijn?- M.a.w. Wie heeft de mens doen laten spreken of kan hem zonder spraak scheppen?

“niet-bestaan” kan indirect beschreven worden als een gevolg van een actie van een ding. In een directe wijze kan men zeggen dat een actie alleen invloed heeft op zaken die werkelijk bestaan. Wie de “geleider”- dus ding – ook is, hij alleen kan acteren op een bestaand iets. Het kwaad – vanuit deze theorie – is dus alleen kwaad in relatie met een zekere iets; waaraan het kwaad gerefereerd is aan een zekere bestaand iets. Dit is inclusief de “niet-bestaan” van iets dat in “goede conditie” verkeert. Blindheid (“niet-bestaan”) an sich is niet slecht, maar wanneer het onderhevig is aan ogen van een mens (een iets), wordt die (blindheid) als slecht ervaren. In onze ogen is dood kwaad. Dood is in onze ogen immers onze “niet-bestaan”.

Kwaad vanuit het Joods mystieke standpunt
Rabbi Sjim’on ben Lakisj zei:

De woorden van de Tora kunnen alleen in de mens worden verankerd door degene die zichzelf doodt.

Het Jodendom kent meerdere uitleggingen, tradities. In deze paragraaf gaan we de mystieke theorie over de zonde bestuderen. Dit doen we wij op een wijze in tweevoud. Omdat deze wereld in een tweeheid (donker, licht, groot, klein, man, vrouw, G-d mens, etc.) bestaat, gaan we de zonde vanuit de mystieke theorie ook vanuit die tweeheid bestuderen. We zullen ontdekken dat zonde hier op deze wereld óók in tweeheid manifesteert:

De aarzeling in de Hemel is de bovenzijdse zijde van de zonde op deze wereld
De dwaling op aarde is de onderzijdse zijde van de zonde op deze wereld.
4.1 De dualistische natuur van G-d
Alle eerst de vermelding dat de natuur van G-d EEN is. Deze vorm van dualisme zegt niet dat G-d in twee delen of dergelijke bestaat.

Al vanaf het begin van de schepping is een dualisme: de gever en de ontvanger. De hemel laat het regenen (gever) en het groen schiet omhoog (ontvanger). In de Kabbalah zouden wij zeggen: het vat (ontvanger) en het licht (de gever). In de Kabbalah staat de vrouw voor de passieve en oneindige dimensie van G-d Die leven kan geven aan een kind – Iegoel, de oneindige. De man staat voor de mannelijke, eindige element van G-d; de Kav. Man en vrouw, de lijn met begin en eind van de cirkel: gever en ontvanger.

Hoe kunnen wij G-ds EENheid met verzoenen in deze aaname van G-d pluralistische (systeem dat het naast elkaar bestaan van verschillende principes en overtuigingen erkent) Schepping? Als de mens naar Zijn evenbeeld is geschapen, dan zou de mens ook een eenheid zijn. G-d is in staat om een mensbeeld te scheppen die middens een aseksuele manier kan voortplanten (denk aan bv “simpele” celdeling). Waarom is het tegendeel waar? Waar zit die dualisme? De gever en de ontvanger, de man en de vrouw? Ogenschijnlijk lijken zij slechts gever en ontvanger, maar ook de gever is de ontvanger en de ontvanger is ook de gever. Samen vormen zij een eenheid door de samenwerkende factoren. Hoe kan dit weer verenigd worden in ons G-dsbeeld, immers Hij is oneindig, alom vertegenwoordigd en niet te vangen in menselijke emoties.

Zoals G-d oneindig groot is, is Hij in staat Zichzelf zeer klein te maken. Hier komt de atheïstische aard van de mens naar boven: hoe kan G-d oneindig sterk zijn als Hij geen steen kan creëren die Hij niet tillen kan? Almachtig zijn betekent júist zo sterk zijn als Hij wilt, maar ook zo klein en slap te zijn als Hij wilt! Dat maakt Hem zo almachtig groot en zo almachtig klein dat Hij inderdaad in staat is die ene steen te scheppen die Hij niet kan tillen als een extreem klein Wezen, die Hij weet tillen kan als de Almachtige Sterke G-d.

Voorbeeld de volgende masjal: een professor die alleen aan briljante studenten les kan geven en alleen maar in zijn element is wanneer de meeste moeilijke cases worden voorgesteld, is eigenlijk een gelimiteerde professor. Hij is pas een genie wanneer hij óók in staat is middels simpele anekdotes en allegorische verhaaltjes zijn moeilijke theorieën over kan brengen aan kleine kinderen die een gelimiteerde intellect bezitten. Of: de microprocessor die miljoenen berekeningen per seconde kan performeren, maar deze grote technologie is maar zo klein als een chip.

G-d is zo krachtig dat Hij Zichzelf kan begrenzen waardoor Hij eindig is, maar blijft latent onbegrensd. De Tora is hierin een mooi voorbeeld. De Tora kent vele hoekiem, de suprationele wetten, wetten waarvan wij de reden niet weten dan G-d alleen. Wij volgen hen wel op, want wie zal “nee” zeggen tegen de hoekiem van de Almachtige? Ondertussen realiseren we niet dat de hoekiem juist Zijn oneindige natuur reflecteren die ontoegankelijk is voor de mens, terwijl de masjpatiem, de rationele wetten, wel toegangenkijk is voor de mens. Deze wetten reflecteren G-ds in staatstelling om eindig en begrensd te zijn.

Wij geloven daarom ook dat G-d Zelf de Tora gebruikte om de wereld te scheppen. Hij keek in Zijn eigen “lesboeken”. Daarnaast zegt de traditie dat die oerwateren de wateren van tijd is. Hier moeten we denken aan de situatie voor de schepping: het oerwater waar de Roeach over de wateren zweefde. Deze Roeach zou vlg de traditie de Geest van de Masjiach zijn.

Kwaad vanuit Joods mystieke standpunt: Tsimtsoem
We beginnen bij de leer van de Tsimtsoem, de Kabbalistische weergaven van het samen- en terugtrekken van G-ds Ejn Sof (G-ds Oneindigheid) om deze schepping (incl. het heelal) te bewerkstelligen. Daarnaast geeft deze theorie een “oplossing” voor G-ds Almacht in de zin van hoe zou Hij instaat zijn een steen te scheppen die Hij niet tillen kan. Dus de tegenstrijdigheid in die Almacht en zwakte, is ook de tegenstrijdigheid van goed en kwaad. Hoe Hij als Almachtige Zich begrensd manifesteert.

De Sefer hazohar, de belangrijkste boek van de Kabbalah zegt naast dat G-d een dualistische natuur heeft, Hij eindig en oneindig is. Niets houdt Hem tegen Iets of Iemand te zijn Wie Hij wilt zijn. Hij begrenst Zichzelf juist om omgang met de mens te kunnen hebben, omdat Hij zo oneindig kan Hij Zichzelf dus eindig maken. In het voorbeeld van de professor die op een kinderlijke wijze middels fabeltjes en verhaaltjes zijn quantum theorie aan kinderen duidelijk kan maken, blijft hij een groot intellect. Het is mesjogge te stellen nu hij als een tweejarige fabeltjes vertelt dat hij twee jaar is. Hij kan dit zo goed juist omdat hij een genie is. Had hij dit niet gekund, dan verstaat hijzelf zijn theorie niet volledig. Dit voorbeeld geeft die “oerknal”, de Kabbalistische tsimtsoem weer.

De tsimtsoem kent twee betekenissen:

het samentrekken (terugtrekken van oneindig naar eindig) van de Ejn-Sof (de Oneindige)
verbergen, occult
Door juist de tweede betekenis kan het eindige en fysieke wezenlijkheid mogelijk worden. Voor de Schepping was G-d Alleen. Hij was in zichzelf, de Ejn Sof zijnde, de Oneindige. Hij is zonder einde. De Tikkoenei Zohar introduction 17 a-b zegt dat boven alle hoogten en verborgenen, achter alle geheimen, niemand is in staat Hem te omvatten. Zijn Naam is niet bekend dat Hij omschreven kan worden en Hij is de Perfectie van hen alle die Hem mystisch gezien hebben.

En nu komt het. Big Bang: let be a world and BANG: there was a world. In oog op de oerknal de Big Bang, knalde het Licht/oerknal over de oerwateren waarover de Roeach haskodesj (Geest van Masjiach) zweefde en er was LICHT Jehie ‘or! kome er licht! Hier ligt de “schepping” van de Masjiach in het Licht. WAT is dat Licht?

In de Kabbalah wordt dat Licht de ‘ Or Sof genoemd: het Licht VAN de Ejn Sof (de Oneindige G-d) Die Zich manifesteerde, Zich kenbaar maakte míddels dat Licht. Dit Licht is/komt van de Alomvertegenwoordige G-d. Wij maken vervolgens onderscheid van de Ejn Sof, ‘ Or Sof en de 10 Sefiroth, G-ds Getelde en Vertelde eigenschappen. Sefirah is enkelvoud van Sefiroth en dat betekent “tellen”. Zie het als bijvoorbeeld jouw 10 basiskenmerken van je eigen persoon.

De namen van de Sefiroth zijn uit de Heilige Schift afgeleid. Een voorbeeld is:
Spreuken 3:19 en 20 : De Heer heeft door wijsheid de aarde gegrondvest, door verstand den hemel vastgezet; door Zijn kennis zijn de vloeden gespleten, laten de wolken dauw druppelen…
24:3 en 4: Door wijsheid wordt een huis gebouwd, door verstand wordt het bevestigd; door kennis worden de kamers gevuld met allerlei kostelijke en liefelijke goederen. Kennis, Daat, is eigenlijk geen Sefiroth, maar het resultaat van de invloeden van Wijsheid en Verstand.

De volgende 7 Sefiroth zijn te lezen in 1 Kronieken 29:11.

Wij vermelden de 7 Sefiroth tussen haakjes: U, Heer, is de grootheid (Chesed), de kracht (Gevoerah), de luister (Thifereth), de glorie (Netsach) en de majesteit (Hod); want alles (Jesod) in hemel en op aarde behoort U; U, Heer, is de heerschappij (Malchoeth),en Gij zijt het die U als hoofd over alles verheft. Je ziet dat de woorden óf letterlijk de namen van de Sefiroth zijn, óf synoniemen van de namen van de Sefiroth. Volgens Kabbalisten kan en mag dat. Zo direct wordt het duidelijk wat de rollen zijn van de Sefiroth, ‘Or Ejn Sof en Ejn Sof Zelf.

De Sefiroth staan met elkaar in verbinding. Kether geeft door aan Chochmah, Chochmah ontvangt van Kether. Chochmah geeft het door aan Binah. Binah ontvangt van Chochmah. Binah geeft door aan Chesed en Chesed ontvangt van Binah, enz.

Nu wij weten dat de Tsimtsoem de ‘Or Ejn Sof voortbracht, weten wij nu ook dat binnen de cirkel van de ‘Or Ejn Sof een leegte ontstond waardoor er ruimte werd gemaakt om de werelden te scheppen. De volgende stap van schepping is de introductie van een straal licht ín de ‘Or Ejn Sof. Deze straal licht heet de Kav. De Kav is het Licht van de Memale Kol Almin (het Licht in alle werelden schijnt). Dit Licht is ‘Or Pnimie, het innerlijke licht. In tegenstelling tot de ‘Or Ejn Sof kent de Kav een begin en het einde. De ‘Or Ejn Sof omringt alle werelden met het Oneindige licht van Sovev Kol Almin – de ‘Or Makkif- het transcendente Licht zonder begin en zonder einde. De Tetragrammeton beschrijft deze Sovev Kol Almim. De Tetragrammeton, JHWH, is uit drie woorden samengesteld:

Haja-hij was,
Hoveh- Hij is,
Jihjeh-Hij zal zijn.
De naam van G-d die Memale Kol Almin beschrijft, is Elohiem. De numerieke waarde van Elohiem is het zelfde als de woord “natuur” (hateva) en impliceert de Aanwezigheid van G-d binnen de Schepping. Kabbalah spreekt van de “vereniging” (jichoed) tussen Havaje en Elohiem. De Tora vertelt ons, “Weet deze dag dat Havaye Elokim is”. Hassidism roept hem een eenheid van Sovev Kol Almin en Memale Kol Almin en ziet G-d als zowel superieur als dreigend.

Kortweg:
Modi van de Schepping:

Kav – Lichtstraal van de oneindige, zonder begin en einde ‘Or Ejn Sof.
Memale Kol Almin – het Licht (‘Or Ejn Sof ) dat alle werelden omringt
Sovev Kol Almin dat alle werelden vult
Or Pnimi – Licht van binnenuit
Or Makkif- het transcendent, superieure Licht.
Elohiem – (imminente en transcendente vorm van Havaje van G-d).
Ondertussen is de Kav als het ware een ketting van de werelden in de post-Tsimtsoem waar hogere en lagere werelden bevinden zoals de verschillende niveaus van een ladder. In de hogere werelden is het Licht heel intens en de aanwezigheid van G-d is absoluut. Maar na mate de Kav vordert, wordt de mate van Licht steeds minder en is de aanwezigheid van G-d steeds meer verborgen. Verborgen binnen de Schepen. Aan het midden van de cirkel is deze wereld. Dit is het laagste punt van de lijn waaraan het Licht totaal binnen de lichamelijke creatie verborgen is. De werelden waarover wij spreken zijn:

Atsiloet: verborgenheid.
Ber’ia: wereld van de Schepping.
Jetsiràh: wereld van het vormen.
Assijja: komt van asah wat maken betekent.
De Tora en de mitswot zijn als het ware de bekleding om de de ‘Or Ejn Sof heen. Deze beperkte wereld kan het oneindige Licht van de ‘Or Ejn Sof niet verwerken en bevatten, waardoor de ‘Or Ejn Sof zich moet verschuilen en kan zich middels de Tora en de mitswot zich openbaren. Dit is ook het doel van de Schepping: dat G-d een woonplaats kan hebben in deze lage wereld. [Hier gaan wij in de volgende hoofdstukken omtrent onheil veel dieper op deze materie in].

Na mate de tijd in de menselijke geschiedenis verschiet, zal de openbaring van dit Licht in diverse stadia plaatsvinden. Nu is de Sjechinah nog verborgen, maar straks, in het Messiaanse tijdperk, zal de openbaring van het pre-Tsitsoem Licht geweldiger zijn dan de techiat hametiem – herrijzenis van de doden. Dit impliceert tevens ook dat ieder individu zelf invloed kan uitoefenen m.b.t. de komst van de Masjiach. Dit impliceert tevens dat onze acties en invulling van de mitswot de uiteindelijke openbaring van het Messiaanse tijdperk kunnen bespoedigen of vertragen. De ballingschap is uiterlijk een resultaat van zonde. Het invullen van de mitswot zijn heerlijke zelfopofferingen (mesirat nefesj) die het Messiaanse Tijdperk ontlokt.

Wij hebben nu uitgelegd waarom G-d eerst het Oneindige Licht openbaarde en waarom het Eindige Licht dan pas enkel en alleen middels het proces van de Tsitsoem heeft kunnen plaatsvinden. G-d is onbegrensd en volmaakt. Waar is in Hem Die volmaakt is ruimte voor het kwaad?

In de tijd Jesjajahoe vond men goed en kwaad onverenigbaar en daardoor geloofde men in een god van het goede en een god van het kwade. Jesjajahoe zei, wat wij eerder aanhaalde in Jesaja 45:6-7: Jotzer or oebore chosjech, oseh sjalom oebore ra… Voor Jesjajahoe is er geen onderscheid. Hij is onbegrensd en blijkbaar staan het begrensde en het onbegrensde in verhouding met elkaar. Ondertussen is G-d ondefinieerbaar. Want we kunnen zeggen dat Hij onbegrensd, maar eigenlijk definiëren wij Hem daarmee al.

Hoe komt het begrensde (de professor die in een tweejarige taal zijn theorie aan kinderen uitlegt) uit het onbegrensde (de genieuze professor)?

In het onbegrensde zijn er geen begrensde elementen. Het antwoord kunnen volgens de Ari Hakodesj slechts in één principe omschrijven: tsimtsoem. De tsimtsoem is de tegenovergestelde functie wat wij kennen in het scheppen. Tsimtsoem is beperking en hastara is het Zich verbergen/verhullen voor de scheppingen. De Ejn Sof moet zijn onbegrensde kracht verhullen om ruimte te geven aan het ontstaan uit het niets. Waar het onbegrensde functioneert, is geen ruimte voor het begrensde en visa versa. G-d heeft álles geschapen vanuit Zijn Ejn Sof, Zijn oneindige straling. Dit wordt onderstreept door Dawied hamalech, koning David, in Ps. 94: De planter van het óor, zou niet hóren? of de formeerder van het oog, zal híj niet kíjken? Hier geldt het principe van de qal wahomer, licht en zwaar. Als iemand 20 kilo kan tillen, kan hij zeker 5 kilo tillen. Als je dit kan, kan je dat zéker. Men leidt het lichte van het zware af. Als een kachel warmte geeft, dan bestaat hij uit dezelfde materie wanneer de kachel uit staat. De Baal Sjem Tov zegt dat het lichaam niet van de essentie van de ziel leeft, maar van de straling van de ziel. De ziel is een levensbron en straalt leven uit. De uitstraling vertoont dezelfde karakteristieke als van de bron. De ziel is een levensbron, een vat, en straalt leven uit. G-d is onbegrensd, dus Zijn straling is onbegrensd.

Met het scheppen heeft G-d Zijn oneindige straling verhuld, maar in die verhulling is de bestraling onbegrensd. Het Licht van de Ejn Sof heet zoals we eerde aangaven: ‘Or Sof: het Licht VAN de Ejn Sof (de Oneindige G-d). Ps. 36:10 zegt: Ja, bij u is de bron van léven, in úw licht zíen wij lícht. Er staat niet U bent de bron van het leven, maar bij U… En dan zegt Dawied hamelech dat wij in Zijn licht lícht zien! G-d verhult Zijn oorspronkelijke Licht, want die is onbegrensd, daar is nog geen ruimte wat begrensd is. En vanuit die verhulling straalt een nieuw licht (‘Or Sof). De zon en de maan is een mooi voorbeeld. De zon straalt licht en de maan vangt haar licht op, waardoor de maan ook een lichtbron vormt. Jesj majesj, iets uit het iets. Deze straling is zwakker. (Als het ware speelt G-d verstoppertje met ons). In die tweede straling ontstond de 10 Sefiroth, Zijn 10 aspecten/krachten. Wij moeten krachten investeren om iets te maken. Bij G-d is dit andersom. Hij moet Zijn krachten verbergen, terugtrekken om iets te maken.

In deze wetenschap komen wij bij de verklaring over het kwaad:
Miljoenen tsimtsoemiem zouden niet de kans geven aan het ontstaan van het kwaad. Wat is kwaad? Kwaad is het absolute ontkenning van het bestaan van G-d. Deze staan inherent áán al die verhullingen van G-d. Immers: door de terugtrekking (verhulling) van Ejn-Sof is er ruimte voor “het bestaan” gecreëerd wat tevens ook ruimte betekent voor het kwaad dat G-ds bestaan dat verborgen is ontkent.

Vlg. de Kabbalah heeft G-d 974 (Midrasj Tehillim 90:13) werelden geschapen (Bereesjiet Rabba 9:2) en deze weer verwoest. We spreken over geestelijke werelden. Iedere wereld was een gebied waar G-d een zaad voor de mensheid creëerde, maar het zaad kwam niet tot het vereiste potentie dat bruikbaar voor het doel van G-d kon zijn. Zelfs deze 975e wereld werd bijna verwoest. In de Kabbalah noemt men dit “het breken van de vaten”. In deze ruimte zijn de 10 Sefiroth ontstaan. De ziel in het lichaam kunnen we met de 10 Sefiroth vergelijken. Het lichaam van een Sefirah zijn de vaten en in dat lichaam zit een ziel. Het licht van de Ejn Sof straalt door de Sefiroth. Er zijn miljarden schepselen die uit die EENHEID van G-d ontstaan zijn. Hoe verenigen wij dit met de Sjema? Dit gaat via de Sefiroth met hun eigenschappen. Ieder eigenschap van een Sefirah vult elkaar aan – geeft elkaar door, maar behouden hun eigen eigenschap. Zoals bijvoorbeeld een rode fles met water. Het water lijkt door de rode fles rood, maar in feite blijft het water kleurloos. De fles en het water zijn aan elkaar verbonden, maar behouden hun eigen eigenschap: rode fles en kleurloos water. Er moet een harmonie bestaan tussen de manlijke en vrouwelijke elementen van de Sefiroth. De vrouwelijke passieve element van een Sefirah moet zich laten benaderen door de mannelijke gevende kant van de vorige Sefirah. Hetzelfde doet deze Sefirah ook bij de volgende Sefirah. Ondertussen is die veelheid vanuit Ejn Sof toe te schrijven aan Zijn schepselen. Hij bracht onnoemelijk veel schepselen voort. Denk alleen maar aan de atomen, de bacteriën, de onvoorstelbaar veel sterren en zonnestelsels. Voor ons is dat onbereikbaar veel.

Ejn Sof (G-d) is begonnen met een grote, vele en machtige dosis met licht. De Sefiroth zelf bestonden uit geconcentreerd licht van de oorspronkelijke lichtstraal van de Ejn Sof. In dit stadium waren de Sefiroth niet van elkaar te onderscheiden. Toch eiste de scheppingplan van de Ejn Sof dat de Sefiroth elkaar zouden verschillen en omkleed zouden worden met schalen (sommigen noemen het ‘lampen’), die opgebouwd waren uit verschillende lichtmengsels. De lichtstralen konden zonder problemen door de 1e 3 Sefiroth (Kether, Chochmah en Binah) worden opgevangen. Toen hierna de schalen van de lagere Sefiroth de lichtstralen moesten opvangen, bleek het licht te sterk: het brak met ontzettend veel kracht door. De schalen, die opgevangen moesten worden, vielen in stukken. Stel je voor dat je een lamp hebt dat 110 volt aan kan, maar je brandt met 220 volt, dan breekt de lamp (materie). G-ds licht daarentegen is geen materie, want alles uit Hem is G-ddelijk. Het was ook Zijn bedoeling dat die vaten breken – de stelling van de Sjeviràh – en versplinterden als kruimels van een brood. In iedere kruimel zit dat G-ddelijk vonk. Het breken van de vaten kun je ook vergelijken met het volgende. Je hebt een idee (geen materie) en je schrijft die op (materie) en je knipt vervolgens het woord (dat bijvoorbeeld uit 4 letters bestaat, dus vier vaten) door, dan hou je vier verschillende letters over waarin het idee nu versnippert is. In de eerste letter zit een stukje van het idee, in de tweede letter zit een stukje van het idee, in de derde letter zit een stukje van het idee en in de vierde letter zit een stukje van het idee. Samen vormen zij één idee, een geheel – geen materie – maar zijn door de deling van de vier letters in vieren versplintert. Zo is het ook met het breken van de vaten. Hoe erger de toema, hoe erger de onreinheid. En nu komt de tegenstelling: hoe meer toema, hoe hogere de graad van zo’n G’ddelijk vonk is. Wanneer mensen een muur afbreken, waardoor deze in elkaar stort, liggen veel stenen bij de muur. Maar de stenen die verder van de muur (toema) terecht zijn gekomen waren de stenen die het hoogst in de muur geplaatst waren! In de toema zitten de vonken van hoogste graden G-ddelijkheid gevangen.

De Kabbalah geeft hiermee precies weer dat “het probleem” in deze wereld sinds de “zonde”-val, geheim (Tsimtsoem; G’d verhult/verstopt Zich) is. Dat dit klopt is omdat geheim ook scheiding betekent (denk aan de stenen die gescheiden zijn van de muur). Het engelse woord secret komt namelijk van het Latijnse woord “se” en “se” betekent “gescheiden”. Door een geheim voor je te houden, deze niet met je partner te delen, dan scheidt jij jezelf van de eenheid die je met je partner vormde. Je wordt een tweeheid en uiteindelijk tegenstaanders. Geheim is in herent aan verborgen en hiermee grijpen we weer terug naar de leer van de Tsimtsoem. Leven hier op aarde (wij als stenen van de muur) – gescheiden van G-d (de muur) – is dus inherent aan Zijn Mysterie. Daarom leren wij dat wij vanuit Zijn Wezen in tweeheid leven en moeten wij de eenheid weer terugvinden. Ik denk dat dit iets voor het leven na de dood is en zolang wij leven, moeten wij die eenheid met onze partner blijven vormen. Zo zien wij dat de dood dóór het Geheim niet eng is.

Nu de Ejn-Sof Zich teruggetrokken had in het verborgene, is er ruimte ontstaan zodat wij konden bestaan. Echter kwam er óók ruimte voor de kwaad. Het ultieme kwaad is het ontkennen van het bestaan van G’d, dat het gevolg is door de teruggetrokken en verborgenheid van de Ejn-Sof.

Kwaad vanuit Joods mystieke standpunt: Bovenzijdse zijde
Omdat we de bovenzijdse zijde van de zonde op deze wereld bespreken, moeten we moeten astronomie hierin betrekken, dus best moeilijk. Wij trachten dit zo simpel mogelijk te houden. De Alef, de eerste letter van het Alef-Bet, is in de vorm van een stier. Het is een stomme medeklinker. Het verschil tussen de klinkers en medeklinkers in het Hebreeuwse Alef-Bet is dat de medeklinkers – die in het Hebreeuws uiteraard wel worden getranscribeerd – als het waren het lichaam zijn en de klinkers – die in het Hebreeuws niet worden getranscribeerd – worden als ziel en geest beschouwd. De Tora kent nog een derde “item”: de melodie. De melodie – nigoen – is de Gddelijke nesjomme in de mens. De stomme medeklinkers staan hierin parallel.

Alef dat met een ossenkop wordt uitgebeeld, dus in teken staat van de stier, wordt in het Grieks Alfa genoemd. De Griekse schrifttekens werden door een zekere Kadmos van Foencië naar Griekenland gebracht. Kadmos is een afleiding van kedem en kadmon. De Hebreeuwse stam is k-d-m, dat net als mizrach oosten betekent, maar ook vroeger of voorheen. In de Kabbalistische verslagen hebben wij dikwijls Adam Kadmon aangekaart, de oermens Adam. De Adam “van vroeger”.

Vlg. het Jodendom leven wij nu in 5767. In de astronomische termen leven wij nu in de tijd van de waterman, maar toen deze schepping voltooid was, zouden wij in de tijd van de stier leven.

Ieder teken duurt in de astronomie 2150 jaar. Dit zou impliceren dat toen de schepping voltooid was, al eenderde van de tijdperk van de stier reeds om was! We spreken over 700 jaar. Het teken van de stier is dus voor eenderde een voor-wereldse periode en voor tweederde een na de schepping periode.

Nu heeft de Rode Vaars in de Tora een belangrijke rol (Bamidbar/Num. 19) en weten wij dat het eerste teken een fundamenteel geheim bevat, eenderde van het teken van de stier ligt in de voorperiode van onze schepping. Hierdoor kunnen we concluderen dat tweederde van de stier in deze schepping valt. Hoe kan dit verenigd worden met de Rode Vaars, immers de stier is het teken waarmee de wereld aanving?

Alleen de kop en de romp was in deze schepping zichtbaar. De rest van zijn lichaam, eenderde, is een geheim, Hebr. “sod”. Het woord fundament in het Hebr. Is jesod. Letterlijk mogen wij vertalen met “hij geheimt”. “J” is in het Hebreeuws 3e pers. enk. Aangezien de Tetragrammeton (JHVH) met de “J” begint, mogen wij zeggen: ‘Hij is geheim’.

“Dam” is bloed in het Hebreeuws en bloed is rood. Bloed komt overeen met nefesj, ziel (Wajjikra/Lev. 17:11 en 14). Wanneer we de Alef voor de dam zetten, de stomme medeklinker die in teken staat van de stier, komen we op Adam, dezelfde stam als adom, wat “rood” betekent.

In datzelfde “sod” ligt het geheim van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad. Joseef staat in het Jodendom ook bekend als deze stier (Dwariem/Deut. 33:17). Rachel is de moeder en de Sjechinah, G-ds glorie, wordt ook in het Jodendom dikwijls Rachel genoemd. Joseef droeg middels zijn dromen het geheim die zijn broeders niet begrepen. Nu Joseef de zoon van Rachel is en de jong van vee mag niet op dezelfde dag geslacht worden (Wajjikra/Lev. 22:28), komen we weer een stap dichter bij het geheim van de zonde. Het jong van een vee moet vlg de Tora zeven dagen bij de moeder blijven. Op de 8e dag – dat gesymboliseerd wordt met het Olam haba – wordt het geheim bekend. Joseef wordt (h)erkend als de beminde zoon Efrajiem.

G-d wenste in Zijn allesomvattende EENheid een deelgenoot. Hij zei tegen de melachiem (engelen): “laten WIJ mensen maken”. De engelen zagen dit eigenlijk niet zitten (en waarschijnlijk door 974 eerdere ervaringen) raadden Hem dit af, want zij voorzagen (eveneens als G-d Zelf) dat de mens wenste een soort tegengod te worden. De melachiem zouden G-d gesmeekt hebben dat Hij de mens niet zou scheppen, want ook wij zullen machten worden van strengheid, van dood en vernietiging…. Maakt ze niet. G-d “twijfelde” (dit dienen wij tussen haakjes te plaatsen, daar G-ds emoties niet in menselijke woorden uit te drukken zijn) want Hij wist dat als Hij een deelgenoot in vrijheid van keuze wenste. Dat de mens in staat was desnoods tegen Hem te kiezen middels de eerste stap van het verboden vrucht, zou een allesomvattende onheil in de schepping veroorzaken.

We kaartten net Sjechinah aan, Rachel, G-ds glorie en zij wist (Sjechinah betekent “het wonen”) dat G-ds geschenk aan de mens – vrijheid – niet goed aanvaart zou worden, zoals haar zoon Joseef – de stier – lijdende Masjiach in sommige Joodse tradities – niet aanvaard werd.

De gedeeltelijke stier die in deze schepping zichtbaar is (2150-700= 1450 astronomische jaren in deze schepping) kan maar ten dele onderkend worden, want eenderde (700) kent men niet. Joseef wordt in die door zijn broers niet herkende geheim verkocht voor 20 zilverstukken. Kaf, dat als letter de getalswaarde heeft van 20 (1 + 1) x 10 = 20), is de handelende hand.

De Sjechina (Gds glorie) biedt aan G-d – Die “twijfelde” of Hij de mens überhaupt moest scheppen en zo ja in vrijheid om voor Hem wel of niet te kiezen – de mens hier beneden te vergezellen en ik zal de mens die u Zelf zal voortbrengen naar Uw beeld en gelijkenis “baren”. G-d stemde toe…De aarzeling van G-d drukt zich uit in de eenderde en verborgen deel van de stier die voor deze schepping ligt. De stier manifesteert in gebrek aan erkenning, dwalende en in zonde.

Dit zou een van de mysteries van de zonde, het kwaad zijn. De aarzeling, twijfel wel of niet is de geheime zijde, de bovenaardse zijde van de zonde in de wereld. Daarom kennen wij barmhartigheid zodat de zonde vergeven kan worden.

Kwaad vanuit Joods mystieke standpunt: Onderzijdse zijde
Wetende dat we in een wereld van de tegenstelling leven die niet zonder elkaar kunnen en wat gematria om de totstandkoming van het kwaad enigszins te vatten, is best plauzibel. Het met een beetje studie en nadenken en toetsen niet geheel onverklaarbaar, maar niet geheel verklaarbaar. Alles wat de mens eet, wordt één met de mens. Dit mogen we ook in de geestelijke zin opvatten; het opnemen hetgeen je geïnteresseerd bent; iemand heel goed willen leren kennen, waardoor zaken, het wezen, één met jou wordt. Het Scheppingsverhaal begint met het woord Bereesjiet (Hebr. voor Genesis is Bereesjiet), in den Beginne, 2-200-1-300-10-400. Het eerste deel, 2-200-1 (bara) heeft merendeels betrekking op Gen.1. 300-10-400, het laatste gedeelte van Bereesjiet. Dat is Gen.2 en 3. De laatste gedeelte van de Schepping en gevolg van de “zonde”.

De man is 3 en de vrouw (een tweeheid uit de eenheid; Gen. 2:21) is 4. In 300-10-400 staan de man en de vrouw tegenover elkaar. ze moeten weer herenigd worden naar de oorspronkelijke eenheid. Deze hereniging voert de hele Schepping weer terug naar de Oorsprong. Als de man hier 300 en de vrouw 400 zin, dan is het kind 500. 3²+4²=5². Die 500 reikt verder dan de maxima van de getalswaarden van de Hebreeuwse letters van het alfabet. Die gaan namelijk niet verder dan 400. De 4 als de verste ontwikkeling in de kerncyclus komt tot 10. Dat maakt logischer wijs 400. Het frappante is dat de 400 in oud Hebreeuwse Schrift het kruis is, de kern van het lijden en de knechtschap. De laatste letter van Bereesjiet (in den Beginne) is de taf, de 400: lijden, dood en verdrijving. Precies zoals in het laatste gedeelte van het Scheppingsverhaal!. Nu dan, als het Woord aannemen, zal de verdrijving uit deze wereld, de terugkeer naar huis, naar de Oorsprong, betekenen. De materiële wereld eindigt, net als Bereesjiet) met de taf (400). De laatste letter van de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet. Volgens de oude wetenschap van de Bijbel is de afstand tussen de Hemel en aarde “500”. 500 ligt buiten onze vermogen. Er bestaat geen Hebreeuwse letter voor de getalswaarde van de 500. 400 is immers de laatste: lijden, dood, verdrijving.

In het Tweede Scheppingsverhaal mocht men alle vruchten eten, er een mee worden, behalve met het wezen dat kennis van Goed en Kwaad uitdrukt. Immers door iets te eten krijg je een beeld. Door niet van die verboden vrucht eten krijgt men ook geen (voor)oordeel door slechts waarneming. Met andere woorden: we zouden geen waarnemend bewijs van G-ds wezen zoeken. Met de wetenschap wat wij zo-even leerden, krijgt deze tekst een veel diepere betekenis! Men dient namelijk, door geloven zonder te zien, te oordelen via het wezenlijke, waardoor je een mening vormt dat gelijktijdig in verbinding staat met de Oorsprong: de EEN. Met andere woorden: je bent dan onder invloed van de Heilige Geest en je reageert niet uit vlees. Eten is achol: 1-20-30. Het betekent ook voltooien en volmaken. Chol is 20-30 betekent alles. de Alef (a), de EEN is met alles verbonden. Zoals fysiek iets eten ons een maakt met het eten waardoor de bouwstenen met ons een geheel vormt. Zo is dat ook wanneer wij het begrip van het wezen eten middels de Bijbel en zo een met Hem worden. Als we eten van dat Woord 1-20-30, EEN + alles, verbindt men alles met de EEN.

Eten van het wezen van Kennis van Goed en Kwaad bracht lijden, dood en verdrijving in deze wereld. Geloven zonder te zien was niet meer voldoende. Door de tweeheid dat in de Schepping geschapen is, ontstond in het belang van de ontwikkeling hierdoor ook de tegenstelling. Dus ook leven en dood. Voor mensen die de tweeheid niet eigen hebben gemaakt of willen maken, vatten de tegenstelling dood en leven dus niet op die manier op. Mensen zijn immers geworteld in de Oorsprong. Zij verschijnen, vastzittend aan de oorsprong, in deze wereld en verdwijnen weer uit deze wereld, nog steeds geworteld in de Oorsprong. Men gaat naar huis.

Door het eten van de vrucht gaat men op het ogenschijnlijke af, wordt de tweeheid en dus de tegenstelling in zich opgenomen (Wezen zal die er voor aan de franje: zien zult ge hem en gedenken alle geboden van de Ene en ze doen; ge zult niet meer op verkenning gaan achter uw hart aan en uw ogen,- die ge nu nog achterna hoereert. Bamidbar/Num. 15:39). De mens kreeg namelijk lichamelijke ogen en gaat hun beelden zien. Ook ziet hij zijn “naaktheid”. De mens gaat zijn eigen gekozen weg en verbergt zich voor G-d, omdat hij bang is voor G-d. Hij weet dat zijn ingeslagen weg de verkeerde weg was. De mens komt vervolgens in een andere wereld buiten het Paradijs en kreeg geen toegang meer in Gan Eden. Langs een lange omweg van tijd zal hij echter daar wel weer in terugkomen.
De weg van de 26 geslachten breekt aan (denk aan de 974 werelden die voor deze Schepping bestonden. 974 werelden plus 26 geslachten). G-d staat op de Sinaj aan het einde van de weg en openbaart Zich. De mens kan terugkeren naar de oorspring en het Woord werd de Weg des Levens.

De oude Bijbelwetenschap heeft de omvang van de Boom des Levens gemeten en komt uit op 500 jaar. Hierdoor kan de mens met zijn beperktheid tot 400 de Boom des Levens niet omvatten en niet bevatten. De maat 500 past niet in deze wereld.

Toch zal de 500 wèl tot stand komen. De man en vrouw, resp. 300+400 moeten weer één worden en daaruit zal een “kind” voortgebracht worden: de 500. Misschien mogen we hierin de eenwording van G-d en Zijn Bruid Israël aan verbinden! 300²+400²=500². Lichaam en ziel zal een bepaalde eenheid vormen waardoor er een nieuw mens ontstaat. De tegenstellingen zullen weer een harmonisch geheel worden. In dit licht wordt gelijk Jesjajahoe’s tekst uitgelegd: 45: 6 en 7 Zo zal iedereen, van oost tot west, weten dat er niets is buiten mij. Ik ben de HEER, er is geen ander die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil schept. Ik ben het, de HEER, die al deze dingen doet. Ook in dit licht mogen we de eenwording van het Huis van Juda en Huis van Joseef zien die als twee houten een worden (Ez. 37:16) en de vereniging van Israël als de beenderen in het dal van de verdorde beenderen (Ez. 37).

500 beslaat de hele tijd. Proe oereboe, wees vruchtbaar en vermenigvuldig je (Bereesjiet 1:28) is geen loze opmerking. Proe 80-200-6 oereboe 6-200-2-6 zijn samen 500. Vruchtbaar en vermenigvuldigen zijn twee componenten die niet zonder elkaar kunnen. Zij worden verbonden met oe; 6; waw; haak. Scheppen, bara, 2-200-1, houdt iets totstandkoming in, dat weer terug zal komen in de één. G-ds Naam houdt het EENworden van de twee gescheiden delen, de tweeheid, in. Daarom door het eten van de Boom van kennis van Goed en Kwaad, gingen wij zien en oordelen naar het uiterlijke. Tegenstellingen ontstond terstond waardoor goed en kwaad gescheiden werd: Zo zal iedereen, van oost tot west, weten dat er niets is buiten mij. Ik ben de HEER, er is geen ander die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil schept. Ik ben het, de HEER, die al deze dingen doet. Goed dat geformeerd en kwaad dat geschapen zijn. Door zondige ogen zien wij de uiterlijke schijn van de tegenstelling!

Het duurde 500 jaar tussen G-ds roep naar Avram dat hij in Ka’naan moest vestigen en Zijn openbaring op Sinaj. De weg van het leven in de wereld van de tegenstelling beslaat slechts 400. Echter de Bijbel leert ons de weg van de 500, dat niet zichtbaar (meer) is sinds de zondeval. Geloof zonder te zien. De weg naar het eeuwig leven is een feit. De weg naar de andere wereld ligt voor ons open…

Een Chassidische (en wederom mystieke) visie
G-d plaatste ons eerst in een arena (Olam hazeh, deze wereld) van vrije keus waar wij een inspanning moeten leveren om goed over kwaad te kiezen. Dergelijke keus wordt beloond in de Olam haba, de komende wereld, waar de ziel ontneemt wordt van al het fysieke en in het licht van Sjechinah baadt als een verdiende beloning na strijd in Olam hazeh. De verwezenlijking van kwaad is daarom een noodzaak kwaad voor de arena van vrije keus om ode struikelblokken te overwinnen voor de uiteindelijke beloning. De Tora en Mitzvot helpen ons in deze wedloop die ons de krans van zegen kan opleveren. Deze kransen van zegen zijn de kaartjes aan de zalige beloningen in de Olam haba.

De ziel zelf is heilig, en vereist geen verbetering. Zoals wij van de ladder van Jacob leerden, is de afdaling van de ziel in deze wereld bedoeld om te kunnen opstijgen. De ziel bereikt hier iets dat de ziel in de Olam haba niet kan bereiken. Men kan hun men dierlijke aandrijving en hartstochten overwinnen om het Almachtige doel te verwezenlijken. De ziel streeft daarom ernaar om de ware dienst van G-d uit te voeren, door vervullend de wil van G-d middels de Tora en Mitzwot op te volgen. Door Tora te studeren rust de Sjechinah op je. Hierdoor creëert men voor G-d de dirah betachtoniem en hier creërend, een woonplaats voor Goddelijk in deze wereld. We zullen in de volgende hoofdstukken hier uitgebreid op de dirah betachtoniem

Een Chassidische visie: Kelipah en Sitra Achra (onheilige kant van het heelal)
Kabbalah gebruikt de term Kelipah om kwaad of iets onheiligs te beschrijven (kedoesja is heilig). Het is de buitenste bedekking die het G’ddelijk licht binnen alle creaties verbergt; daarom is dit de onheilige kant van het heelal. Letterlijk betekent kelipah een “schil”, zoals in de schil van een fruit. Een sinaasappel zal zijn sap niet behouden als het niet een dergelijk beschermend jasje heeft. Nochtans wanneer iemand de sinaasappel eet, gooit men de schil weg. De schil moet slechts het fruit als het ware bewaren. Hetzelfde is omtrent van het bestaan van kwaad. Men gebruikt hiervoor de terminologie pnimijoet haratzon, de wil van binnenuit, en chitzonioet haratzon, de externe wil. Als iemand voor zijn onderhoud gaat werken, raakt hij betrokken bij diverse details van zijn werk. Dat is de chitzonioet haratzon. Maar zijn pnimijoet haratzon wilt slechts geld voor zijn bestaan verdienen. Kelipah stemt zich af op de externe wil van G’d en kadoesja stemt zich af op de interne wil van G’d.

De Kabbalah onderscheid alles in de wereld tussen sitra kadoesja, de heilige kant en de sitra archa, de onzuivere kant. Letterlijk betekent sitra archa de ándere kant van kelipah.

We leerden dat een ieder de Tora studeert de Sjechinah op zich krijgt. De Sjechinah zorgt er niet voor dat je de wil van G-d gaat doen, want het is geen ontvangst van G’d vanuit Zijn innerlijke wil, maar deze levenskracht is een dalende kracht dat van niveau tot niveau afdaalt, door ontelbare samentrekkingen totdat het licht zo gedimd is dat het in een staat van ballingschap binnen dat afzonderlijke voorwerp kan worden samengeperst en worden ingesloten.

De Kabbalah leert ons twee vormen van kelipot:

Kelipat nogah: de kelipah dat verlicht kan worden (helderheid). Deze kelipah kan worden ondersteund en worden gezuiverd. In de visioen van Jechezk’el (Ezechiël) wordt deze kelipat nogah als “lichtglans daaromheen” beschreven. Om wat? Om de volgende vorm van de kelipot:
Sjalosj kelipat hatmajot: de drie onzuivere kelipot. De enige vorm van hervorming of afkoop voor deze drie onzuivere Kelipot is hun vernietiging. In de visioen van Jechezk’el worden de sjalosj kelipat hatmajot wervelwind, grote wolk en vuur (1:4).
Vanuit de Sjalosj kelipat hatmajot vloeien zowel alle niet kosjer zielen van alle schepselen voort als de verboden te eten planten van het plantaardige koninkrijk, zoals de orlah (fruit van de eerste drie jaar van een boom). Het bestaan en de vitaliteit van alle acties, uitingen en gedachten die betrekking hebben op de 365 negatieve mitswot en hun uitlopers stromen ook uit deze Kelipot.

Vanuit de Kelipat nogah stroomt de tegenovergestelde van de Sjalosj kelipat hatmajot uit: de Joodse zielen – Nefesj habehamit – de kosjer zielen, het plantaardig eten dat toegestaan is en het bestaan en de vitaliteit van elke handeling, uiting en gedacht in mondaine kwesties die geen verboden aspecten bevatten, al dan niet dat omwille van de Hemel wordt uitgevoerd niet.

G-d creëerde een ding tegenover de andere. Een Jood bestaat uit twee zielen. Zijn nefesj elokiet is samengesteld waarvan de bron de 10 Sefiroth is. Deze ziel is naast de nefesj habehamit geplaatst, die ook 10 zielenkrachten bezit. De zielenkrachten van de nefesj elokiet streven naar kedoesja. De zielenkrachten van de nefesj habehamit streven naar de kelipah. Deze zielen wedijveren om controle te hebben over iemands gedachten, spraak en actie, die dikwijls “de kledingstukken van de ziel” worden genoemd. Ieder moment wordt de persoon geconfronteerd met de keuze bekleed te worden met kedoesja of kelipah. Wanneer iemand kiest voor de controle van nefesj, dan kunnen de zielkledingstukken door de onzuiverheden van de dierlijke aandrijving worden vervuild. Deze onzuiverheden zijn verwaand en ruïneren de geest.

Als alles een Hemelse oorsprong heeft, hoe zit het met de Hemelse oorsprong van sitra archa en kelipot? Hoe daalde het kwaad hier op aarde neer wanneer de oorsprong goed is?

Een Chassidische visie: Sjevirat Hakeliem: Het breken van de schalen
In het paragraaf over de Tsimtsoem hebben we geleerd dat wij leven in de wereld van Assijja, de wereld van het maken leven. Ook beschreven wij dat na de eerste Tsimtsoem de Kav in de gemaakte ruimte gestraald werd om in deze leegte de werelden te creëren. Wij beschreven de formatie van de vier werelden van Atsiloet, Ber’ia, Jetsiràh en Assijja. Nochtans werd de manifestatie van Atsiloet voorafgegaan door een ander stadium. Dat stadium wordt de Wereld van Chaos (Tohoe) genoemd. De verwezenlijking van Kelipah stamt van de Wereld van Tohoe af.

De volgende voorstelling is op de leerstellingen van de Arizal gebaseerd en heet de Sjevirat Hakeliem – ” Het breken van de schalen “. De Midrasj verklaart – wat wij ook al eerder meldden – dat voor de voormalige schepping van deze wereld, 974 andere geestelijke werelden door G-d werden gecreëerd en vernietigd.

De eerste wereld kunnen wij terugvinden in Bereesjiet/Gen. 1:2:וָבֹהוּ וְהָאָרֶץ, הָיְתָה תֹהוּ

De aarde is woestheid en warboel geweest,. Dit is de Wereld van de Chaos, de Wereld van de Tohoe. Na de Tsimtsoem verscheen de Sefiroth en zij werden oorspronkelijk in de Wereld van Tohoe individueel geschaard. Zij kenden – zoals wij in de leer van de Tsimtsoem leerden – geen interactieve verhouding met elkaar. Chesed was Chesed zonder enig relatie met Gevoerah, enz.

Het Licht dat de zwakke vaten van de Wereld van Chaos binnenging was “zeer intense geconcentreerd” heette de ‘Orit Meroebiem die de zwakke vaten, de Keliem Moeatiem, overstroomde. Dit is het resultaat van het breken van de schalen of de vaten. Het is misschien te vergelijken met een miljoen volt die je door een 60 watt gloeilamp heen laat lopen.

Er was een geweldig voordeel van de Wereld van Chaos, dat voorheen briljant was dat gevuld was met intense Lichten. Het grote nadeel van dat iedere Sefirah zelfzuchtig was en wilde alle Lichten voor zichzelf. Iedere Sefirah was niet in staat met de anderen te delen of te coëxisteren. De bron van onafhankelijkheid en ego stamt daarom ook af van de Wereld van Tohoe, chaos. Zo’n een wereld zou niet kunnen bestaan, dus werd deze vernietigd en een veel betere wereld, de Wereld van de Tikkoen, Wereld van de Correctie, werd gemaakt. In de Wereld van de Tikkoen werd iedere Sefirah – zoals we eerder aangaven – met elkaar verbonden. Chesed kreeg interactie met Gevoerah en Gevoerah met Chesed, enz. Deze interactie verbond de brede vaten met de kleinere intense Lichten (vaten, schalen), de ‘Orot Moeatiem, waardoor er een wereld ontstond dat ook echt kon bestaan.

Het zou moeten opgemerkt worden dat het verbrijzelen van de vaten, schalen of lichten geen toevallige fout in het G-ddelijke Plan was. In tegendeel: dit proces stond voor de verwezenlijking van kwaad toe, zódat de mens voorzien werd van zowel vrije keus als de uitdaging om een Dirah betachtoniem, een woonplaats voor Goddelijk in deze wereld (nogmaals: denk aan de Misjkan en de twee Beejt hamikdasj), te creëren. Daarnaast werden de oorspronkelijke Lichten van de Wereld van Tohoe in de Kelipah verborgen. Wanneer een persoon Kelipat Nogah of zelfs de drie onzuivere Kelipot door vernietiging of tesjoeva transformeert, laat hij die Lichten vrij. In ieder voorwerp zijn er vonken van heiligheid die worden vrijgegeven wanneer dat voorwerp voor het belang van Hemel is gebruikt. Daarom is het mogelijk dat sommige vonken honderden of zelfs duizenden jaren op iemand wacht om hen vrij te geven. Deze taak heet biroer nitzoztot, het zuiveren van de Vonken.

Een voorbeeld van het zuiveren is het eten van voedsel. Lichaam en ziel worden door voedsel bij elkaar gehouden. Ieder kosjer voedsel bevat heilige vonken die vrij gegeven worden wanneer het eten voor belang van de Hemel wordt geconsumeerd. Deze manier van eten is gezond voor het studeren van de Tora en het houden van mitswot. De ziel, dat ontleent is van de Wereld van de Tikkoen, wordt gevoed door deze vonk, die op zijn beurt ontleend is van de Wereld van de Tohoe. De mens is vertrouwd met dat voedsel, omdat zijn ziel gevoed wordt door het licht van de heilige vonken – die voorkwamen uit de wereld van de Tohoe – dat in het eten verborgen ligt. Het lichaam dat voedsel tot zich neemt dat niet omwille van de Hemel wordt gegeten, blijft in de staat van Kelipat Nogah totdat het lichaam de energie verbruikt dat uit het voedsel van Toralernen of andere G-ddelijke daden najaagt. Door niet kosjer voedsel blijft het lichaam in Kelipah totdat het persoon terugkeert naar heilig gedrag dat vervolgens een terugwerkende werking heeft óf dat G-d Zelf interventie pleegt door Zelf de vonken op te heffen.

De ultieme zuivering van de wereld zal pas in de Dagen van de Masjiach plaatsvinden. Daarna zal de wederopstanding van de doden plaats vinden waarin G-d de onreine geest van de wereld zal verwijderen. In die tijd zal al Kelipot verwijderd worden en de G-ddelijke dienst zal plaatsvinden in de wereld van de Kedoesjah. De Sjabbes verwijst naar deze dagen. Volgens Joodse wet kan men slechts dát eten die vóór Sjabbat wordt bereid, en is het verboden voedsel dat de rustdag voorbereiden. De tijd van Masjiach is dus vergelijkbaar met Sjabbes en leven wij nu in de “weekdag.” Nu is de tijd dat wij ons voor de ultieme Sjabbat zouden moeten klaarmaken, zodat het werk van “vandaag” – het bouwen van een woning voor G-d in deze wereld- een genot voor “morgen” zal worden.

Satan vanuit het Joodse standpunt
Nog een punt die wij willen bespreken omtrent het kwaad komen we uit op satan, de tegenstrever van G-d (hij streeft dus naar het omgekeerde van waar God naar streeft), in het Christendom wordt hij ook de tegenstander genoemd. Dat dit volstrekt onjuist en onbijbels is, mag duidelijk zijn. Het christendom heeft hierdoor satan gelijk gesteld aan G-d, immers als je over een tegenstander spreekt, zou je denken dat je toch van gelijke kracht moet zijn, anders ben je geen tegenstander van elkaar. En mocht het christendom gelijk hebben dat satan zo’n persoon is, hebben zij hem – als tegenstander van G-d – op gelijke hoogte met G-d gesteld. Een vorm van afgoderij, precies zoals de christelijke satan het wenst.

Schepper in Bereesjiet 1: laten wij mensen maken: Schepper van kwaad; alles buiten Gan Eden.
Formeerder in Bereesjiet 2: formeren van mens en dier in Gan Eden: Formeerder van goed; alles binnen Gan Eden tot dat het kwaad daar grip kreeg en het evenwicht verstoorde…
Om dit beter te begrijpen moeten we eerst kijken naar het begin van de wereld. G-d schiep de Gan Eden met een boom van kennis tussen goed en kwaad. En hij gaf Adam en Chava het verbod om het fruit van deze boom niet te eten. Vervolgens aten zij er toch van, en de gevolgen kennen we. Waarom zou G-d ooit zo’n boom midden in de tuin zetten? – een leuk ding om te weten is, dat die boom volgens de Zohar, Rasji en RaMBaM dezelfde vorm had als de Menorah van de tempel (de V vormige menorah, niet de gebogen).

Waarom zou G-d die boom er gezet hebben? Nu dan, Engelen zijn wezens die in dienst van G-d staan. Volgens het Jodendom volgen zelfs ‘demonen’ (Hebr. Sjediem) de wil van G-d. Zo stuurde G-d engelen om het volk van Israel te zegenen, en stuurde hij demonen om de Egyptenaren te straffen in de tijd van Mosje Rabbeinoe. Een van deze engelen is volgens het Jodendom, de Satan.

Satan heeft de taak gekregen om de mensen te ‘testen.’ Satan is een aparte entiteit, die de mens beproeft, ons aanklaagt, en hij wordt eveneens als de verpersoonlijking van de Engel van de dood beschouwd. De Satan is niet meer dan een goede Engel met een lullige baan. Dat G-d achter de acties van Satan staat, blijkt helder uit de T’NaCh. En Satan is gewoon een losse entiteit; G-d kan hem terechtwijzen indien de satan zijn werk niet goed uitvoert; indien G-d het niet met de acties van satan eens is. De satan is namelijk geen tegenstander van G-d, maar een medestander. HaSatan is de tegenstander van de mens. Satan is een Hebreeuws woord en de betekenis beperkt zich overigens niet tot die ene Engel. Er komen in de T’NaCh eveneens andere satans voor; ook mensen. En door deze ‘beproevingen’ leren wij op G-d te vertrouwen. Door deze beproevingen horen wij ervan te leren.

Het Joodse concept van satan kun je vergelijken met Sjakie en de chocolade fabriek (heeft iemand hier dat boek gelezen?). In het boek winnen Sjakie en een paar andere kinderen een tour door de beste en bekendste chocolade fabriek van de wereld. Niemand is ooit in die fabriek geweest, dan alleen de eigenaar van de fabriek. En iedereen die erin mag krijgt op het einde een levenslange voorraad aan chocolade. Helemaal geweldig dus, echter moeten ze zich aan 1 ding houden. Ze mogen nergens aanzitten. De grote dag is eindelijk aangebroken en de kinderen staan allen met 1 volwassen begeleider klaar om naar binnen te mogen. De wereldpers staat erbij, iedereen. Dan komt er een meneer naar de kinderen toe en stelt zich voor als iemand van een concurrerende chocolade fabriek. Hij laat de kinderen stuk voor stuk een koffer vol met goud zien, en beloofd hen dat zij al dat goud (of geld) mogen hebben, als zij slechts maar 1 speciale chocolade reep midden in de fabriek voor hem mee kunnen nemen. Dan krijgen de kinderen dus alsnog de hele voorraad chocolade van de fabriek (die dan toch niets in de gaten heeft), en al dat goud van deze meneer.

Dan gaat men de fabriek in, alle kinderen kunnen zich niet inhouden en of springen in een chocolade rivier, of eten iets op. Maar Sjakie niet, tot op een gegeven moment Sjakie stiekem van de rivier drinkt. Alleen ziet de directeur het niet (denkt hij). Helemaal op het einde weigert de directeur Sjakie de levensvoorraad aan Chocolade repen te geven. Sjakie wordt woedend, en de directeur verteld hem dat hij gezien heeft hoe Sjakie zijn belofte verbrak.

Dan gaan Sjakie en zijn opa weg, buiten laat Sjakie 1 choco reep trots zien aan zijn opa. Zijn opa wordt boos op hem, en uiteindelijk gaat Sjakie toch maar terug om het terug te geven. Dan komt hij bij het bureau van de directeur en geeft hem beschaamd de reep terug. Op dat moment roept de directeur: “Je hebt gewonnen!” ‘Hoezo gewonnen, ik heb van de rivier gedronken en stiekem een reep meegenomen…’

Dan belt de directeur met de man van de concurrerende fabriek en zegt dat ze een winnaar hebben. Wat blijkt nou… De directeur stond op het punt van pensioen, en hij zocht een eerlijke opvolger. Dus had hij 1 van zijn medewerkers erop uit gestuurd om de kinderen te ‘verleiden.’ Om zij te kijken wie er echt betrouwbaar waren, wie zich aan hun belofte zouden houden.

Christelijke tegenwerping omtrent de Joodse satan
In Chasdej Hasjem staat onder andere in dat volgens Chazal (=onze Rabbijnen), de Satan zich telkens verheugt indien we volhouden ons tegen zijn verleidingen te verzetten en weigeren te zondigen. Zoals een leraar die ons steeds test en op de proef stelt, maar tegelijk wil dat we uiteindelijk zullen slagen. Nogmaals, in het Jodendom wordt geleerd dat de Satan geen concurrent van G-d is. Integendeel, de Satan is een Malach (een boodschapper, een Engel) van G-d met de taak ons op de proef te stellen en ons aan te klagen. Het christendom heeft zeer veel moeite heb met het idee dat satan niet is meer dan een goede Engel met een lullige baan. Dus G-d staat achter satans werk en is in wezen opdracht gever van satan. Veel zonde waartoe de satan probeert te verleiden heeft vaak diepe gevolgen voor een ander. Stel iemand wordt verleid tot het verkrachten van een ander, dan is die ander daar zwaar getraumatiseerd van met alle ellende die daar verder nog achterweg komt.

Er zijn nog meer problemen voor Christenen die deze tekst naar satan (als de duivel) toe refereren. Namelijk volgens de christelijke theorie is dat satan hier ‘de morgenster’ wordt genoemd. Echter als Satan de morgenster is en aan ‘t eind der tijden in een poel van vuur wordt gegooid, waarom wordt JC in openbaring(en) dan ook de morgenster genoemd?

Wanneer we heel hoofdstuk Jesjajahoe 14 lezen, zien we dat ‘de morgenster’ niet over Satan gaat, maar over Nebudchadnesar (van Babylon). Een aantal versen eerder in Jes. 14.4 maakt Jesjajahoe heel duidelijk dat hij profeteert over de koning van Babylon. Door het hele hoofdstuk (en erna) blijft de profeet profeteren over de val van Nebudchadnesar, die Jeroesjalajiem plunderde en de tempel vernietigde. Maar op het eind, zal hij vallen. In vers 12 wordt hij vergeleken met de planeet Venus wiens licht in de ochtend zichtbaar is, maar verdwijnt met het opkomen van de zon. Netzoals het licht van Venus was Nebudchadnesar’s heerschappij maar voor een korte tijd. En zoals de profeten hadden voorzegd viel Babylon, en overleefde het volk van Israel dit volk dat haar verbannen had.

En hoe zit het dan met de vernietiging van satan in Openbaringen, immers de Openbaringen wordt toch gezien als een Joods boek met Joodse opvattingen vanuit de Joodse traditie.

In het boek ‘Michtav Mei’eliyahu van Harav Dessler, rav Dessler rav Chananel uit Chagigah quote dat de engelen geen vrije wil hebben. Rav Dessler is het daar mee eens. Dit betekent niet dat engelen niet gestraft kunnen worden. Zoals we in Dani’el overduidelijk kunnen lezen is dat ieder volk een engel toegewezen heeft. Wanneer de volkeren niet goed doen, wordt de engel gestraft. Zij zijn wel verantwoordelijk. Dit verklaart de engelenoorlog, dat satan op zijn mieter kan krijgen enz. Maar nu, dit schrijvende… Engelen zijn – in alle respect voor hun heiligheid, intellect, kracht en macht – net als dieren. Dieren kunnen niet goed of kwaad doen, maar kunnen wel verkeerds doen. Hondeigenaren straffen ook hun honden wanneer zij iets verkeerds doen, ook al weten zij niet waarom zij verkeerd hebben gedaan.

Engelen kunnen niet goed en niet kwaad doen zoals wij dat weten. Als een hond iets verkeerd doet, is hij niet zondig, maar doet fout en krijgt straf. Alleen als daad heeft de hond dit niet als zonde ervaren. Wanneer de hond doet wat er gezegd wordt, wordt hij beloond. Hij is blij, maar beseft niet dat hij een goede daad heeft gedaan. Zoals blindengeleidehonden. Zij ervaren hun gehoorzaamheid niet als goede daad, maar als vanzelfsprekendheid. Dieren kennen ondertussen wel emoties, ene diersoort redeneert beter dan de ander. Ze kennen verdriet, weten – ondanks ze geen benul van zonde hebben – dat “het niet goed is” is om niet te luisteren.

Ondanks satan wellicht in zijn taak het doel voorbij gaat doordat hij doorslaat in zijn ijverigheid (denk aan een pakhond die toch de buurman tegrazen neemt), zegt R. Levi dat “Alles wat satan doet, hij voor de hemel doet.” B.T. Bava Basra 16a. Rabbi Kaplan zt”l schrijft in 1 van zijn boek ‘Handbook of Jewish Thought’ over satan:

HaSatan: de ‘uitdager’ , de engel die G-d dient door de mens uitdagingen te geven die hij in de goede manier moet oplossen. Door de goede keus over de slechte te maken. Dit is anders dan de christelijke kijk op Satan en de duivel. Wij hebben gegeten van de boom van de Kennis en dát onderscheid ons niet alleen met de dieren, maar ook van de engelen. Dit verklaart dat wij in olam haba BOVEN de engelen staan. Wellicht zegt het NT daarom waarom wij later boven de engelen staan. Wellicht is dát de “goede” keerzijde van het eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad.

Dit sluit naadloos aan de “gevallen engelen” die Bereesjiet 6 (en in het Boek van Henoch) afdaalden en trouwden met de aardse meisjes. Er is een Midrash die vertelt over dat engelen naar de aarde afdaalden om met de mensen dochters te trouwen, en dat daaruit de reuzen zijn voortgekomen. Echter Rasji is het niet eens met dat de ‘zonen G-ds’ gevallen engelen waren. Verder spreekt de Talmoed in Niddah 61a wel over dat Og en Sihon afstammelingen waren van Shemchazai ,een gevallen engel (Dit betkend natuurlijk nog niet dat Rasji ongelijk heeft). Want ook Rash haalt dit aan in zijn commentaar op Num 13:33 “Reuzen, van de zonen van Shemchazai en Azazel, die vielen van de hemelen in de dagen van de generatie van Enosh.”

Hoe kan dit dan? We zien in Shabbos 88b en Bereshis Rabba 48:11 dat engelen geen vrije wil hebben. Maar ze hebben daarentegen wel een eigen ‘binnen’ leven, ze kunnen ruziën, en zijn in staat om fouten te maken (Sanhedrin 38b, Midrash op Tehilim [psalmen] 18:13). De Talmoed en Psalmen bevestigen het voorbeeld van de hond die goed en fout dóet, beloond en gestraft wordt. Engelen bestaan slechts om een taak te doen, Bereshis rabba 50:2. En zijn ondergeschikt aan de mens (of tenminste sowieso aan de rechtvaardigen), Nedarim 32a, Shemos Rabba 1.

Vernietiging van het kwaad
G-d heeft dus min of meer het ‘kwaad’ geschapen om de mens te testen. Volgens de Chassidoes (chassidische leer) is/wordt de sitra achra (kwade ‘aandrift’) aangedreven (door) satan. En behoren wij ons te houden aan de Tora, die ons als het goed is helpt om dit tegen te gaan, en ons hieruit te helpen. Door de Tora kunnen wij naar Olam Haba (de volgende wereld), door de Tora leren wij Olam haba te waarderen. Maar zonder satan zouden wij Olam haba niet eens weten te waarderen.
Waarom niet? Omdat als alles goed gaat in ons leven. Wij dienen Hasjem met heel ons hart en al onze kracht, we doen wat er in de Tora staat. We worden ‘gezegend,’ we krijgen alles, en hebben nooit tegenstand. Hoe moeten wij dan begrijpen waarvoor we beloond worden? Dan kun je de waarde van je beloning niet begrijpen.

In de Bavlie, Berachot 5a staat hetzelfde wat in BT Kiddoesjien 30b staat maar ietwat uitgebreider. Rabbi Levie ben Hama zegt daar namens Rabbi Sjim’on ben Lakisj (mijn vertaling): “Een mens zou zich altijd met de jester hatov (aandrang tot het goede) moeten verzetten tegen de Jetser hara (aandrang tot het slechte), want er is geschreven: “beef en zondig niet.” Indien men het kan bedwingen (de Jetser hara), dan is het in orde. Zoniet, laat hem dan de Tora studeren.” Ook hier wordt de Tora als serum tegen de Jetser hara (de aandrang tot het kwade) neergezet. Deze uitspraken leiden regelrecht naar Spreuken 3:18: “Ets Chajjiem hie la-ma-chazie-kiem bah, v’tom’cheha m’oesjar” (“zij [de wijsheid van de Tora] is een Boom-van-het-Leven voor allen, die haar aangrijpen, en gelukkig zijn zij, die haar vasthouden.)”

Spreuken 3 begint met de woorden: “Mijn zoon! vergeet mijn wet (“Toratie” = ‘mijn Tora’ of ‘mijn Wet’) niet, maar laat uw hart mijn geboden bewaren…”

Kijk bijvoorbeeld naar Ta’anis 7a, waar Rabbi Bana’a zegt dat de geleerdheid van degene die de wijsheid van de Tora bestudeert met zuivere bedoelingen, een middel is om (eeuwig) te leven, zoals het is gezegd: “‘het is een Boom Van Het Leven voor degenen die zich aan haar vasthouden’ (Spreuken 3:18). Echter, voor degene die de Tora slechts bestudeert vanwege een mindere reden, diens geleerdheid wordt “een dodelijk gif voor hem.” De betekenis van dit soort midrasjiem is: Toen de Jetser hara nog extern was, werden we verleid tot het eten van de “Boom-van-kennis-van-goed-en-kwaad”, en we werden als sterfelijke wezens Gan Eden (het Paradijs) uitgedreven. De Tora biedt een terugweg om de “Boom-van-het-Leven” alsnog te bereiken voor degenen die haar met integere intenties bestuderen.

Rabbi Eliëzer [bar Jaqob] zei in de naam van rabbi Pinchas ben Jaier: De Heilige, zegend zij Hij, zei: ‘Ik heb de boze drift [Jetser hara] gemaakt, pas op dat zij u niet doen zondigen; zodra zij u heeft doen zondigen, let er op ommekeer [tesjoeva], en dan zal Ik uw ongerechtigheid dragen [vergeven]; want er is gezegd Ik heb gemaakt en Ik zal dragen [nasa awon; vergeven], en Ik zal torsen en zal redden [Jesjajahoe 46:4], van het oordeel van Gehinnom; daarom is er gezegd zalig hij wiens overtreding gedragen [vergeven], wiens zonde bedekt is [Psalm 32:1]. Midrasj Tehilliem 32:4.

de oorzaak van zonde is de Jetser hara
de zondaar kan tesjoeva doen en G-d zal hem vergeven
de zondaar die vergeving ontvangen heeft krijgt geen oordeel van Gehinnom. Tegenover gestelde van Gehinnom is Gan Eden, het paradijs.
Er zit dus voor een groot deel een menselijke verantwoordelijkheid in ons doen en laten.

In de Messiaanse tijd zal volgens de Jalkoet me’am lo’ez het dankoffer het voornaamste offer zijn. Waarom? De Jetser hara zal dan vernietigd worden. Vergelijk het met de vernietiging van het “beest” dat in de Openbaringen van Johannes in het vuur wordt geworpen. Indien er geen kwade aandrift (Jetser hara) meer is, zal er ook geen zonde/schuldoffer meer nodig zijn. Vandaar dat het dankoffer de voornaamste plaats inneemt tijdens de Laatste Tempel.

De ladder van rabbi Pinachs ben Jaïer:

•1. „Tora leidt tot zorgvuldigheid;
•2. zorgvuldigheid leidt tot enthousiasme;
•3. enthousiasme leidt tot reinheid;
•4. reinheid leidt tot afzondering;
•5. afzondering leidt tot zuiverheid;
•6. zuiverheid leidt tot vroomheid;
•7. vroomheid leidt tot nederigheid;
•8. nederigheid leidt tot vrees voor zonde;
•9. vrees voor zonde leidt tot heiligheid;
•10. heiligheid leidt tot G-ddelijke geest;
•11. de G-ddelijke geest leidt tot heropstanding van de dood.”

M. Sotah 9:15.

Conclusie: kwaad is niet door ons te beoordelen
Het is duidelijk dat een Joods inzicht omtrent het kwaad anders is dan die van het christendom. In het Jodendom is het kwaad subjectief. Het wordt benaderd zoals de relativiteitstheorie van Einstein. Vanuit de relativiteitstheorie van Einstein mogen we kwaad benaderen en kunnen we onszelf aantonen dat kwaad of slecht dus subjectief is. Denk aan de afbeelding van de engel aan het begin van dit verslag. Velen zullen denken dat hier het kwaad hiermee uitgebeeld wordt. Het tegendeel is waar.

Als jij op aarde staat en je kijkt naar de maan dan lijkt het alsof jij en je wereld stilstaan en de maan om jullie heen beweegt. Als jij op de maan staat en je kijkt naar de aarde dan lijkt het alsof jij en de maan stilstaan en de aarde om jullie heen beweegt. Wat is nu de waarheid? Er bestaat absoluut geen methode die de waarneming als zekerheid vaststelt. Alles hangt af van iemands benadering af. Zo is dit ook met goed en kwaad. Vanuit ons aards bestaan is het kwaad slecht dat een jong persoon op jonge leeftijd komt te overlijden, maar is dat realiteit? Is het niet slechts kwaad vanuit onze realiteit? Zoals de tierende zakenman die compleet uit zijn dak gaat toen zijn vliegtuig volgeboekt bleek. Vijftien minuten later kwam hij op zijn relaas en uiting dat dit het slechtste is wat hem ooit is overkomen is en zijn gevloek dat hij nooit geboren had moeten worden terug. United Airlines DC10 stortte neer doordat een van de vier motoren uitviel. Voor 11-9-01 was deze ramp geboekt als de ergste vliegramp van de VS.

We zien hier dat er altijd sprake is van gelijkwaardige mogelijkheden wat goed en kwaad is. G’ds perspectief is voor ons verborgen maar bestaat wel. Zie het als een ouder-kind relatie. Discipline is ten goede van het kind, maar vanuit het kinderlijk perspectief ben je als ouder een monster.

Om te kunnen beoordelen wat goed en kwaad is hebben we tien keer meer informatie nodig om daar een oordeel over te vellen. We moeten leren dat we voorzichtig moeten zijn situaties te labelen. De Chassidische gedachte over kwaad leert dat het kwaad heel subtiel de woorden verdraait bij mensen die de kleine lettertjes van het leven niet lezen. Daarom moeten wij erg voorzichtig zijn iets te labelen vanuit verdriet en frustratie. Een mooi voorbeeld is gelijk het oudste voorbeeld uit de menselijke geschiedenis. Het kwaad manifesteerde zich in de slang en we zijn allemaal over eens dat hij niet tot Chava kwam en zei: ‘eet van de Boom van de Kennis van Goed en Kwaad”. Nee, hij wekte eerst suggestie. Zoals het hele leven van ons een suggestie is. De slang zei dat het een goede boom was met goede vruchten. Bestaan er goede en kwade bomen? Bomen groeien, blijven klein, zijn ziek, zijn gezond, brengen zoete vruchten en zure vruchten voort, maar roddelen niet.

De termen goed en kwaad kan alleen gebruikt worden in morele kwesties en per cultuur, tijdsgeest en religie kan dit enorm verschillen. Slecht betekent immers dat iets moreels slecht aanvoelt en goed betekent immers dat iets moreels goed aanvoelt. Het is verbazend dat wij een diversiteit van menselijke emoties onder liefde kunnen scharen of tot liefde kunnen toeschrijven, alles wat onplezierig is, is per definitie in ónze ogen kwaad, slecht. We spreken over een slechte film, slecht boek, slecht mens. Alles wat wij dus persoonlijk negatief ervaren.

Iemand die 5 miljoen dollar won, riep die dag uit tot de gelukkigste en beste dag van zijn leven. Een jaar later herriep hij deze dag. Deze dag bleek achteraf de slechtste en kwaadste dag van zijn leven te zijn, omdat een van zijn kinderen aan een overdosis drug is overleden dat gefinancierd werd van het winnende geld! En zo kent het Jodendom ontelbare voorbeelden die deze theorie ondersteunt.

Satan labelen als de slang en het kwaad is eveneens bijvoorbaat iemand iets labelen waarvan wij erg weinig over weten. In de christelijke gedeelte van de Bijbel – de NT – schijnt het bron van dit gegeven zijn. Helaas voor het christendom wordt dit niet door de Tora ondersteunt. Immers, G’d was boos op de slang en vervloekte hem. Noch Adam noch G’d rekende de schuld toe tot de satan. Adam en G’d spreken duidelijk over de slang en niet de engel de satan. Dit is een discussie waard.

Bronnen (o.a.):
TeNaCH
Talmoed
Brit Chadasjah (NT)
Letters van het leven van prof. Weinreb
Bijbel als Schepping van prof. Weinreb
Onkelos HaGer van rabbijn Friedrich van Antwerpen
De oorsprong van het kwade van rabbijn Friedrich van Antwerpen
De Schepping volgens de Ari Hakadosh van rabbijn Friedrich van Antwerpen
De verhulling van G-d van rabbijn Friedrich van Antwerpen
Het breken van de vaten van rabbijn Friedrich van Antwerpen
Wresteling with de Devine van rabbijn Shmuel Boteach
Guide of the Perplexed (Gids der Verdoolden) van Mosje Maimonides (RaMBaM)
Did G-d Create Evil? van Aron Moss
Kelipot and Sitra Achra van Nissan Dovid Dubov
Jezus en het chassiediem van zijn dagen van Gerard Willems

©FAQ-online 2007

Een gedachte over “Oorsprong van het kwaad

  • 6 januari 2020 om 11:08
    Permalink

    Echter, een exact antwoord op het probleem van het kwaad lijkt in de Bijbel niet gevonden te kunnen worden. Het is gissen naar wat hier de reden van is, maar er zijn wel aan aantal gedachten die wij in overweging kunnen nemen. De eerste gedachte is dat wij de oorsprong van het kwaad niet kennen, omdat God ons dit niet geopenbaard heeft. De tweede is dat wij het antwoord op het probleem van het kwaad niet krijgen omdat wij hier niet mee om kunnen gaan. Dat laatste wordt ge llustreerd door het eten tegen Gods wil in van de boom van kennis van goed en kwaad. De derde gedachte is dat het antwoord op dit vraagstuk te groot is voor onze beperkte geest die aan de dimensies van tijd en ruimte onderworpen zijn.

Reacties zijn gesloten.